Idiomatisch gebruik van "es" (es gibt, es geht, es tut weh als onpersoonlijke uitdrukkingen)

B1

Idiomatisch gebruik van "es" in het Duits: es gibt, es geht, es tut weh

In dit artikel leer je wanneer en waarom Duitsers het onpersoonlijke voornaamwoord "es" gebruiken in drie veelvoorkomende uitdrukkingen: es gibt (er is/er zijn), es geht (het gaat / het betreft) en es tut weh (het doet pijn / het is pijnlijk). Ik leg uit wat deze constructies betekenen, hoe je ze vormt, welke naamvallen erbij horen, en welke fouten je het vaakst ziet — met veel voorbeeldzinnen en Nederlandse vertalingen.

Wat betekent "es" als onpersoonlijk voornaamwoord?

Wanneer gebruik je een onpersoonlijk "es"?

Kort antwoord: Je gebruikt "es" als dummy- of plaatsvervangend onderwerp wanneer er geen echt onderwerp is of wanneer het onderwerp uitgesteld wordt (bijvoorbeeld een bijzin of een infinitiefconstructie). Het werkwoord staat altijd in de 3e persoon enkelvoud.

Voorbeelden:
- Es regnet. — Het regent.
- Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk om op tijd te zijn.
- Es gibt viele Möglichkeiten. — Er zijn veel mogelijkheden.

Vergelijking met het Nederlands: Het Duitse onpersoonlijke "es" komt vaak overeen met Nederlands "er" (er is/er zijn) of "het" (het regent / het is belangrijk). Let op: in sommige gevallen gebruikt het Nederlands liever "er" waar Duits "es" gebruikt en andersom.

Es gibt — bestaan / er is (er zijn)

Wanneer gebruik je "es gibt"?

"Es gibt" betekent letterlijk "er is / er zijn" of "er bestaat(en)". Gebruik het om het bestaan van iets aan te geven.

Formatie en naamval:
- Standaardvorm: Es gibt + Akkusativ (het lijdend voorwerp staat in de accusatief).
- Verbuiging van het werkwoord: es gibt (Präsens), es gab (Präteritum), es hat gegeben (Perfekt, wordt gebruikt maar minder vaak dan Präteritum).

Voorbeelden:
- Es gibt einen Hund im Garten. — Er is een hond in de tuin.
- Es gibt viele Gründe, das zu tun. — Er zijn veel redenen om dat te doen.
- Gibt es noch Kaffee? — Is er nog koffie?
- Es gab gestern einen Unfall. — Er was gisteren een ongeluk.
- Es hat schon oft Diskussionen gegeben. — Er zijn al vaak discussies geweest.
- Es gibt nichts zu verlieren. — Er is niets te verliezen.
- Es gibt viel zu tun. — Er is veel te doen.

Negatie en aantallen:
- Es gibt keinen Kaffee mehr. — Er is geen koffie meer.
- Es gibt drei Möglichkeiten. — Er zijn drie mogelijkheden.

Veelgemaakte fouten met "es gibt":
- Verkeerd: *Es gibt mir zwei Bücher. (niet correct als je bedoelt "hij/zij geeft mij twee boeken")
Correct: Er gibt mir zwei Bücher. — Hij geeft mij twee boeken.
Uitleg: Als er een persoon als gever is, gebruik je een echt onderwerp (er/sie/er etc.). "Es gibt" drukt bestaan uit, niet geven aan iemand.
- Verkeerd gebruik van naamval: *Es gibt mir Probleme. (fout)
Correct: Es gibt Probleme (für mich) / Ich habe Probleme.

Es geht — toestand / het gaat over / functioneren

Wanneer gebruik je "es geht" voor gezondheid/toestand?

"Es geht" wordt vaak gebruikt om te vragen of te zeggen hoe het met iemand gaat.

Structuur:
- Vraag: Wie geht es dir? — Hoe gaat het met jou?
- Antwoord: Es geht mir gut. / Mir geht es gut. — Het gaat goed met mij.

Belangrijk:
- De persoon die iets ervaart staat in de datief: mir, dir, ihm, ihr, uns, euch, ihnen, Ihnen.
- "Es" blijft aanwezig als formeel onderwerp; het werkwoord blijft 3e persoon enkelvoud (geht).

Voorbeelden:
- Wie geht es Ihnen? — Hoe gaat het met u?
- Mir geht es nicht so gut. — Met mij gaat het niet zo goed.
- Uns geht es gut nach dem Urlaub. — Ons gaat het goed na de vakantie.
- Geht es ihm besser? — Gaat het beter met hem?

Wanneer gebruik je "es geht um" (het gaat over)?

"Es geht um" = "het gaat om / het betreft". Na "um" staat de accusatief.

Voorbeelden:
- Worum geht es? — Waar gaat het over?
- Es geht um deine Gesundheit. — Het gaat om jouw gezondheid.
- Es geht um Geld / Es geht um Vertrauen. — Het gaat om geld / vertrouwen.

Andere vaste uitdrukkingen met "es geht":
- Es geht nicht. — Het lukt niet / het is niet mogelijk.
- Es geht los. — Het begint.
- Wie geht's? (informeel) — Hoe gaat het?
- Es geht um die Wurst. — (idioom) Het is erop of eronder.

Es tut weh — pijn hebben / het doet pijn

Wanneer gebruik je "es tut weh"?

"Wehtun" (woordencombinatie "weh + tun") betekent "pijn doen". Het Duitse schema is vaak:
- Persoon die lijdt = datief (mir, dir, ihm...)
- Ding/plaats dat pijn doet = onderwerp (Nominativ)

Voorbeelden:
- Mir tut der Kopf weh. — Mijn hoofd doet pijn. / Ik heb hoofdpijn.
- Der Zahn tut mir weh. — De tand doet pijn (ik heb kiespijn).
- Es tut mir weh, dich gehen zu sehen. — Het doet me pijn jou te zien gaan.
- Tut es weh? — Doet het pijn?

Varianten en negatie:
- Es tut nicht weh. — Het doet geen pijn.
- Das hat wehgetan. / Es hat wehgetan. — Dat deed pijn / Het heeft pijn gedaan.
- Es tat weh. — Het deed pijn (Präteritum).

Let op de naamvallen:
- Fout: *Es tut mich weh. (verkeerde naamval)
Correct: Es tut mir weh. / Mir tut es weh.
Uitleg: De persoon die pijn ervaart staat in de datief, niet in de accusatief.

Wat je nog moet weten: zinsbouw, tijden en bijzinnen

Woordvolgorde in hoofdzin en bijzin

- Hoofdzin (V2): Mir geht es gut. / Es geht mir gut.
- Bijzin (werkwoord aan het eind): ..., weil es mir nicht gut geht. — ..., omdat het niet goed met mij gaat.
- Bij infinitiefconstructies met "es": Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk op tijd te zijn.

Tijden

- Es gibt: Präsens = es gibt, Präteritum = es gab, Perfekt = es hat gegeben.
Voorbeeld: Früher gab es hier viele Bäume. — Vroeger waren hier veel bomen.
- Es geht: Präsens = es geht, Präteritum = es ging.
Voorbeeld: Früher ging es ihm besser. — Vroeger ging het beter met hem.
- Es tut weh: Präsens = es tut weh, Präteritum = es tat weh, Perfekt = es hat wehgetan.
Voorbeeld: Der Sturz hat wehgetan. — De val deed pijn.

Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden

1. Verwisselen van naamvallen
  • Fout: *Es geht mich gut. (gebruik acc. i.p.v. dat.)
Correct: Es geht mir gut. — Onthoud: persoon=datief.
  • Fout: *Es tut mich weh.
Correct: Es tut mir weh.
2. 'Es gibt' gebruiken om iemand iets te geven
  • Fout: *Es gibt mir ein Geschenk. (niet correct als "hij/zij geeft mij een cadeau")
Correct: Er gibt mir ein Geschenk. — Gebruik een echt onderwerp (er, er/sie) als iemand iets geeft.

3. Verwarring tussen 'es gibt' en 'es ist'

- Es gibt einen Grund. — Er bestaat een reden / Er zijn redenen.
- Es ist ein guter Grund. — Dat is een goede reden (identificatie).
Tip: Gebruik "es gibt" voor bestaan/aanwezigheid; "es ist" als je iets identificeert of beschrijft.

4. Verkeerde plaatsing van 'es' bij voorgeplaatste datief
  • Beide zijn correct: Es geht mir gut. / Mir geht es gut.
  • Fout ontstaat als je probeert het 'es' weg te laten: *Mir geht gut. (fout zonder 'es' tenzij je het onderwerp expliciet maakt: "Mir geht's gut" is spreektaal waarin 'es' blijkbaar nog aanwezig is als s-kliticum).

Praktische voorbeelden (veelzijdige set) — oefen je gevoel

Es gibt (existentie):
- Es gibt ein Problem. — Er is een probleem.
- Es gibt keinen Bus mehr heute. — Er rijdt vandaag geen bus meer.
- Es gibt mehrere Möglichkeiten, das zu lösen. — Er zijn meerdere mogelijkheden om dat op te lossen.
- Gibt es hier eine Toilette? — Is hier een toilet?

Es geht (toestand / onderwerp):
- Wie geht es dir? — Hoe gaat het met je?
- Es geht mir besser, danke. — Met mij gaat het beter, dank je.
- Worum geht es in dem Buch? — Waar gaat het boek over?
- Es geht um Vertrauen und Ehrlichkeit. — Het gaat over vertrouwen en eerlijkheid.
- Es geht nicht. — Het kan niet / Het lukt niet.

Es tut weh (pijn / emotionele pijn):
- Mein Knie tut weh. — Mijn knie doet pijn. (Duits: Mir tut das Knie weh. of Das Knie tut mir weh.)
- Es tut mir weh, dass du gehst. — Het doet me pijn dat je weggaat.
- Tut das sehr weh? — Doet dat erg pijn?
- Der Schlag hat wehgetan. — De klap heeft pijn gedaan.

Andere onpersoonlijke "es"-constructies (kort overzicht)

- Es + werkwoord van het weer: Es schneit. / Es regnet. — Het sneeuwt / Het regent.
- Anticiperende "es": Es ist wichtig, pünktlich zu sein. — Het is belangrijk om op tijd te zijn. (het echte onderwerp is de bijzin / infinitiefgroep)
- Onpersoonlijk passief: Es wird getanzt. — Er wordt gedanst.

Korte grammaticale woordenlijst

- Onpersoonlijk / onpersoonlijk voornaamwoord: "es" dat geen concrete referent heeft, alleen een plaatsvulfunctie.
- Dativ (datief): naamval voor de ontvanger/ervarer (mir, dir, ihm...). Belangrijk bij "es geht" en "es tut weh".
- Akkusativ (accusatief): naamval voor lijdend voorwerp; gebruikt bij "es gibt".
- Expletief: linguïstische term voor een woord dat alleen bestaat om grammaticale positie op te vullen (zoals "es" en Nederlands "er").

Samenvatting / Cheatsheet

- Es gibt + Akk. = er is / er zijn (bestaan)
Voorbeeld: Es gibt viele Fragen. — Er zijn veel vragen.
- Es geht + Dativ + goed/schlecht = met iemand gaat het goed/slecht
Voorbeeld: Wie geht es dir? / Mir geht es gut.
- Es geht um + Akk. = het gaat over / het betreft
Voorbeeld: Worum geht es? — Es geht um die Zukunft.
- Es tut (jemandem) weh = (iemand) heeft pijn / het doet pijn
Voorbeeld: Mir tut der Rücken weh. — Mijn rug doet pijn.

Als je deze regels onthoudt en veel voorbeeldzinnen leest of zegt, raak je snel vertrouwd met de onpersoonlijke "es"-constructies in het Duits.

Einde

Veel succes met oefenen! Als je wilt, kan ik nu voorbeeldzinnen aanpassen aan jouw niveau of oefeningen geven (maar die heb je niet gevraagd).

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York