Indirecte vragen ("Ich weiß nicht, ob.../wann...")

A2

Indirecte vragen in het Duits ("Ich weiß nicht, ob.../wann...")

Wat is een indirecte vraag?

Een indirecte vraag (indirekte Frage) is een vraag die je niet rechtstreeks stelt, maar opneemt in een grotere zin: je "verslaat" of "integreert" de vraag in een bijzin. Je gebruikt indirecte vragen om te melden wat iemand vroeg, om beleefd informatie te vragen of om twijfel/ongewisselde informatie uit te drukken.

Directe vraag (voorbeeld):
- "Wann kommst du?" (Wanneer kom je?)

Indirecte vorm:
- "Ich weiß nicht, wann du kommst." (Ik weet niet wanneer je komt.)

Belangrijk: indirecte vragen staan meestal in een bijzin en hebben een andere woordvolgorde dan directe vragen (zie verder).

Wanneer gebruik je 'ob' en wanneer een vraagwoord?

- Gebruik 'ob' voor ja/nee-vragen (of: of... of niet). Het Duitse 'ob' betekent hier "of/whether" in het Nederlands.
Voorbeeld direct: "Kommt er?" -> indirect: "Ich weiß nicht, ob er kommt." (Ik weet niet of hij komt.)

- Gebruik een Fragewort (wie, was, wann, wo, warum, wie viel, welcher, enz.) voor inhoudelijke vragen (wie/waar/wanneer/hoe/waarom/...).
Voorbeeld direct: "Wann beginnt der Kurs?" -> indirect: "Er fragte, wann der Kurs beginnt." (Hij vroeg wanneer de cursus begint.)

Hoe vormen we indirecte vragen? (woordvolgorde, leestekens, voorbeelden)

1) Woordvolgorde: werkwoord aan het einde
- Indirecte vragen staan in een bijzin: het vervoegde werkwoord komt op het eind van die bijzin.
Voorbeeld:
- Direct: "Wann kommst du?"
- Indirect: "Ich weiß nicht, wann du kommst." (komt = laatste)

- Veelgemaakte fout: direct vraagwoord + vraagwoordvolgorde gebruiken in zo'n bijzin. Dat is verkeerd.
- Fout: "Ich weiß nicht, wann kommst du."
- Goed: "Ich weiß nicht, wann du kommst."

2) 'ob' voor ja/nee-vragen
- Direct: "Kommst du morgen?"
- Indirect: "Ich weiß nicht, ob du morgen kommst." (Ik weet niet of je morgen komt.)
- Met alternatief: "Er fragte, ob er Tee oder Kaffee möchte." (Hij vroeg of hij thee of koffie wil.)
- Met ontkenning: "Ich weiß nicht, ob er kommt oder nicht." (Ik weet niet of hij komt of niet.)

3) Vraagwoorden (wann, wo, wie, warum...) blijven staan maar bijzin krijgt verb-einde
- Direct: "Wo ist die Toilette?" -> Indirect: "Können Sie mir sagen, wo die Toilette ist?" (Kunt u mij vertellen waar het toilet is?)
- Direct: "Wie heißt du?" -> Indirect: "Er fragt, wie ich heiße." (Hij vraagt hoe ik heet.)

4) Voorzetsels + vraagwoorden
- Als de directe vraag een voorzetsel heeft, neem je dat mee in de indirecte vorm.
- Direct: "Worauf wartest du?" -> Indirect: "Ich weiß nicht, worauf du wartest." (Ik weet niet waarop je wacht.)
- Direct: "Mit wem sprichst du?" -> Indirect: "Sie fragte mich, mit wem ich gesprochen habe." (Ze vroeg me met wie ik gesproken had.)

5) Gevallen (wer/wen/wem) blijven belangrijk
- Direct: "Wer hat das gesagt?" -> Indirect: "Ich weiß nicht, wer das gesagt hat." (wie = onderwerp)
- Direct: "Wen suchst du?" -> Indirect: "Ich möchte wissen, wen du suchst." (wen = lijdend voorwerp)
- Direct: "Wem gehört das?" -> Indirect: "Er fragte, wem das Buch gehört." (wem = datief)

6) Tijden en werkwoorden (modaal, perfect, toekomst)
- Perfect: "Hast du schon gegessen?" -> Indirect: "Ich weiß nicht, ob er schon gegessen hat." (hat aan het einde)
- Modal: "Kannst du mir helfen?" -> Indirect: "Er wollte wissen, ob ich ihm helfen kann." (of formeel: "... helfen könne." met Konjunktiv I)
- Toekomende tijd: "Wirst du kommen?" -> Indirect: "Er fragte, ob ich kommen werde." (of: "... kommen würde." bij stijlverschil)

7) Komma en leesteken
- De bijzin begint na een komma: "Ich weiß nicht, ob er kommt."
- Als de hoofdzin zelf een vraag is (bijv. "Weißt du ... ?"), zet je een vraagteken aan het eind van de hele zin:
- "Weißt du, wann der Zug kommt?" (Je vraagt of diegene weet wanneer de trein komt.)
- Als de hoofdzin een mededelende zin is, gebruik je punt:
- "Ich weiß nicht, wann der Zug kommt."

8) Bijzin vóór de hoofdzin zetten (vooropplaatsing)
- Je kunt de bijzin ook vooraan zetten. Dan volgt de hoofdzin met de vervoegde werkwoord op de tweede positie:
- "Wann er kommt, weiß ich nicht." (Wanneer hij komt, weet ik niet.)
- Dit is gebruikelijker in geschreven of formele stijl.

Typische introductiewerkwoorden en voorbeelden

- wissen (weten):
- "Ich weiß nicht, ob er kommt." (Ik weet niet of hij komt.)
- "Ich weiß nicht, wann der Film beginnt." (Ik weet niet wanneer de film begint.)

- fragen (vragen) = meestal + komplementzin:
- "Er fragte mich, ob ich Zeit habe." (Hij vroeg me of ik tijd heb.)
- "Sie fragte, wann der Kurs anfängt." (Zij vroeg wanneer de cursus begint.)

- sich fragen (zich afvragen):
- "Ich frage mich, warum er so spät ist." (Ik vraag me af waarom hij zo laat is.)

- bitten / können Sie mir sagen (beleefd vragen):
- "Könnten Sie mir sagen, wo die Bank ist?" (Kunt u mij zeggen waar de bank is?)
- "Würden Sie mir bitte sagen, ob der Kurs morgen stattfindet?" (Zou u mij kunnen zeggen of de cursus morgen doorgaat?)

- erzählen / berichten / erfahren (meedelen of te weten komen):
- "Er hat mir erzählt, wann der Termin ist." (Hij heeft me verteld wanneer de afspraak is.)
- "Ich habe erfahren, dass ..." (let op: "dass" is een andere voegwoord voor mededelingen, niet voor indirecte vraag)

Indirecte rede: wanneer gebruik je Konjunktiv I?

- In formele gerapporteerde rede gebruikt men vaak Konjunktiv I om aan te geven dat iets gezegd is (niet noodzakelijkerwijs waar):
- Direct: Er sagte: "Ich komme morgen."
- Indirect (Konjunktiv I): "Er sagte, er komme morgen." (hij zou gezegd hebben dat hij morgen komt)

- Voor vragen in de gerapporteerde rede is Konjunktiv I ook mogelijk:
- Direkt: "Kommst du morgen?"
- Indirect (bericht): "Er fragte, ob ich morgen komme / ob ich morgen komme." (meestal: "... komme")
- In gesproken, informele Duits gebruikt men vaak de indicatief (normale vorm) i.p.v. Konjunktiv I:
- "Er fragte, ob ich morgen komme." of "Er fragte, ob ich morgen komme." (beide kunnen voorkomen; Konjunktiv I is formeler)

Beleefd informatie vragen: typische zinnen

- "Könnten Sie mir bitte sagen, wo der Bahnhof ist?" (Kunt u mij alstublieft zeggen waar het station is?)
- "Würden Sie mir verraten, ob die Bibliothek heute geöffnet ist?" (Zou u mij kunnen vertellen of de bibliotheek vandaag open is?)
- "Ich wollte wissen, ob Sie am Montag Zeit haben." (Ik wilde weten of u maandag tijd heeft.)

Veelvoorkomende fouten en hoe ze te vermijden

- Fout: direct vraagwoord-volgorde gebruiken in bijzin.
- Fout: "Ich weiß nicht, wann kommt er."
- Goed: "Ich weiß nicht, wann er kommt."

- Fout: 'wenn' in plaats van 'wann' gebruiken voor tijdvragen.
- Fout: "Ich weiß nicht, wenn der Zug kommt." (verkeerd)
- Goed: "Ich weiß nicht, wann der Zug kommt." (wanneer)
- Noot: 'wenn' = wanneer/als (voor herhaalde situaties of voorwaarde), "wann" = wanneer (tijdpunt)

- Fout: 'ob' gebruiken in plaats van een vraagwoord voor inhoudsvragen.
- Fout: "Ich weiß nicht, ob wer kommt."
- Goed: "Ich weiß nicht, wer kommt." (wie)

- Fout: verkeerde gevalsvorm van vraagwoord (wie/wen/wem).
- Fout: "Ich weiß nicht, wen das gehört."
- Goed: "Ich weiß nicht, wem das gehört." (datief)

- Fout: komma weglaten voor de bijzin.
- Fout: "Ich weiß nicht wann er kommt."
- Goed: "Ich weiß nicht, wann er kommt."

Veel voorbeelden (gegroepeerd op type)

Ja/nee-vragen (ob)
- "Kommt er heute?" -> "Ich weiß nicht, ob er heute kommt." (Ik weet niet of hij vandaag komt.)
- "Hast du den Brief gelesen?" -> "Sie fragte mich, ob ich den Brief gelesen habe." (Zij vroeg mij of ik de brief gelezen had.)
- "Wird das Wetter besser?" -> "Er fragte, ob das Wetter besser wird." (Hij vroeg of het weer beter wordt.)

Tijdsvragen (wann)
- "Wann beginnt der Film?" -> "Weißt du, wann der Film beginnt?" (Weet je wanneer de film begint?)
- "Wann kommt der Zug an?" -> "Ich weiß nicht, wann der Zug ankommt." (Ik weet niet wanneer de trein aankomt.)

Plaatsvragen (wo / wohin / woher)
- "Wo ist die Haltestelle?" -> "Können Sie mir sagen, wo die Haltestelle ist?" (Kunt u me zeggen waar de halte is?)
- "Wohin gehst du?" -> "Er fragte, wohin ich ging." (Hij vroeg waarheen ik ging.)
- "Woher kommst du?" -> "Ich möchte wissen, woher du kommst." (Ik wil weten waar je vandaan komt.)

Reden/manier (warum, wie, wie viel)
- "Warum bist du spät?" -> "Ich frage mich, warum er spät ist." (Ik vraag me af waarom hij te laat is.)
- "Wie funktioniert das?" -> "Er fragt, wie das funktioniert." (Hij vraagt hoe dat werkt.)
- "Wie viel kostet das?" -> "Ich weiß nicht, wie viel das kostet." (Ik weet niet hoeveel dat kost.)

Voorzetselconstructies
- "Worauf wartest du?" -> "Ich weiß nicht, worauf du wartest." (Ik weet niet waarop je wacht.)
- "Auf wen wartest du?" -> "Er fragte, auf wen ich wartete." (Hij vroeg op wie ik wachtte.)
- "Mit wem hast du gesprochen?" -> "Sie fragte mich, mit wem ich gesprochen habe." (Ze vroeg me met wie ik gesproken had.)

Cases (wer / wen / wem)
- "Wer hat das gemacht?" -> "Ich weiß nicht, wer das gemacht hat." (Wie heeft dat gedaan?)
- "Wen hast du gesehen?" -> "Ich weiß nicht, wen du gesehen hast." (Wie heb je gezien?)
- "Wem hast du das gegeben?" -> "Ich weiß nicht, wem du das gegeben hast." (Aan wie heb je dat gegeven?)

Modale werkwoorden en tijden
- "Kannst du kommen?" -> "Er wollte wissen, ob ich kommen kann." (Hij wilde weten of ik kon komen.)
- "Hast du das gemacht?" -> "Ich weiß nicht, ob er das gemacht hat." (Ik weet niet of hij dat gedaan heeft.)
- "Wirst du mitkommen?" -> "Sie fragte, ob ich mitkommen werde." (Zij vroeg of ik mee zou gaan.)

Polite requests / Beleefdheidsvormen
- "Könnten Sie mir sagen, ob der Kurs ausfällt?" (Kunt u mij zeggen of de cursus vervalt?)
- "Würden Sie mir bitte sagen, wann die Besprechung beginnt?" (Zou u mij alstublieft zeggen wanneer de vergadering begint?)

Konjunktiv I (gerapporteerde rede, formeel)
- Direkt: "Kannst du mir helfen?" -> Indirect (Konjunktiv I): "Er fragte, ob ich ihm helfen könne." (Hij vroeg of ik hem kon helpen.)
- Direkt: "Komme ich morgen?" -> Indirect: "Sie fragte, ob sie morgen komme." (Zij vroeg of zij morgen zou komen.)

Korte woordenlijst (glossarium)

- Indirekte Frage (indirecte vraag): een vraag opgenomen in een grotere zin.
- Fragewort (vraagwoord): wie, was, wann, wo, warum, wie, usw.
- Ob: voegwoord dat ja/nee-vragen inleidt ("of").
- Nebensatz (bijzin): een zin die niet zelfstandig is; in het Duits vaak met de werkwoord-einde-regel.
- Verb-Endstellung (werkwoord-eindstelling): de vervoegde vorm van het werkwoord staat aan het slot van een bijzin.
- Konjunktiv I: aanvoegende wijs die vaak gebruikt wordt in gerapporteerde rede.

Samenvatting

- Gebruik 'ob' voor ja/nee-vragen en vraagwoorden (wer, was, wann, wo, warum, wie, enz.) voor inhoudsvragen.
- Indirecte vragen staan meestal in een bijzin: zet een komma en plaats het vervoegde werkwoord aan het einde van de bijzin.
- Let op voorzetsels en geval (wer/wen/wem) en verwissel 'wann' en 'wenn' niet.
- Voor beleefde verzoeken gebruik je constructies als "Könnten Sie mir sagen..." of "Würden Sie mir ... verraten?"
- In formele gerapporteerde rede kun je Konjunktiv I gebruiken, maar in de spreektaal is de indicatief heel gebruikelijk.

Met deze regels en veel oefenen (kijken naar voorbeelden hierboven) kun je indirecte vragen in het Duits correct herkennen en maken. Succes!

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York