Ontkenning met 'nicht' en 'kein' (zinnen negatief maken)
A1Negatie in het Duits: 'nicht' en 'kein' (zinnen ontkennen)
In het Duits ontken je zinnen meestal met twee woorden: 'kein' en 'nicht'. Ze lijken op het Nederlandse 'geen' en 'niet', maar ze hebben elk aparte regels voor gebruik en plaatsing. Deze gids legt uit wat elk woord betekent, wanneer je het gebruikt, hoe 'kein' verbuigt (verandert) en waar je 'nicht' plaatst. Alle voorbeelden zijn in het Duits met korte Nederlandse vertalingen.
Wanneer gebruik ik 'kein' en wanneer 'nicht'?
Kort verschil
- 'kein' gebruik je om zelfstandige naamwoorden te ontkennen wanneer er geen bepaald lidwoord staat of als je het onbepaalde lidwoord (ein/eine) vervangt. Betekenis: 'geen' of 'geen enkele'.
Voorbeeld: Ich habe kein Geld. (Ik heb geen geld.)
- 'nicht' gebruik je om werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, voorzetselgroepen of de hele zin te ontkennen. Je gebruikt 'nicht' ook om een bepaald zinsdeel (bijvoorbeeld met een bepaald lidwoord of bezittelijk voornaamwoord) te ontkrachten.
Voorbeelden: Ich komme nicht. (Ik kom niet.) / Das ist nicht mein Buch. (Dat is niet mijn boek.)
Wanneer gebruik ik 'kein'?
'Kein' vervangt vaak het onbepaalde lidwoord of geeft aan dat iets geheel ontbreekt.
- Als je wilt zeggen dat iets helemaal niet bestaat of dat je iets helemaal niet hebt:
Ich habe kein Auto. (Ik heb geen auto.)
Wir haben keine Zeit. (Wij hebben geen tijd.)
Es gibt kein Problem. (Er is geen probleem.)
- Met meervoud: Keine + meervoudsnaamwoord:
Es sind keine Leute da. (Er zijn geen mensen hier.)
- Als zelfstandig naamwoord-pronomen: Keiner/Keines/Keine = 'niemand' / 'geen van de…':
Keiner hat angerufen. (Niemand heeft gebeld.)
Keine der Antworten war richtig. (Geen van de antwoorden was goed.)
Vervoeging (basisvormen) van 'kein'
'Kein' wordt verbogen zoals 'ein'. Enkele belangrijke vormen:
- Nominativ: Maskulin: kein, Feminin: keine, Neutrum: kein, Plural: keine
Voorbeeld: Kein Mann ist da. (Geen man is daar.) / Keine Frau ist da. (Geen vrouw is daar.)
- Akkusativ: Maskulin: keinen, Feminin: keine, Neutrum: kein, Plural: keine
Voorbeeld: Ich sehe keinen Mann. (Ik zie geen man.) / Ich sehe keine Frau. (Ik zie geen vrouw.)
- Dativ: Maskulin: keinem, Feminin: keiner, Neutrum: keinem, Plural: keinen (+ -n op het zelfstandig naamwoord indien nodig)
Voorbeeld: Ich helfe keinem Mann. (Ik help geen man.) / Ich gebe keinen Kindern Geschenke. (Ik geef geen kinderen cadeaus.)
- Genitiv (minder vaak in spreektaal): keines, keiner, keines, keiner
Voorbeeld: Trotz keines Problems ... (Ondanks geen enkel probleem ...)
Kein + bijvoeglijk naamwoord
Na 'kein' komt een bijvoeglijk naamwoord normaal met de juiste uitgang:
Das ist kein gutes Buch. (Dat is geen goed boek.)
Wanneer gebruik ik 'nicht'?
'Nicht' gebruikt je voor alles wat je niet kunt of wilt ontkennen met 'kein'. Belangrijke gevallen:
- Werkwoord ontkennen (actie of toestand):
Ich komme nicht. (Ik kom niet.)
Ich habe das Buch nicht gelesen. (Ik heb het boek niet gelezen.)
- Predicaat-adjectieven (eigenschap in combinatie met 'sein', 'werden', 'bleiben'):
Das ist nicht gut. (Dat is niet goed.)
Sie ist nicht glücklich. (Zij is niet gelukkig.)
- Bijwoorden en mate-aanduidingen:
Er spricht nicht laut. (Hij spreekt niet hard.)
- Voorzetselgroepen / plaats- en tijdsaanduidingen:
Er ist nicht zu Hause. (Hij is niet thuis.)
Ich fahre nicht nach München. (Ik ga niet naar München.)
- Wanneer je een specifiek bepaald zinsdeel ontkent (voorzetselgroep of zinsdeel met bepaald lidwoord of bezittelijk voornaamwoord):
Das ist nicht das Buch, das ich meinte. (Dat is niet het boek dat ik bedoelde.)
Das ist nicht mein Hund. (Dat is niet mijn hond.)
Voorbeelden met contrast (scope van 'nicht')
- Ich kenne den Mann nicht. (Ik ken die man niet.) — 'nicht' ontkent het kennen.
- Ich kenne nicht den Mann, sondern den Vater. (Ik ken niet de man, maar wel de vader.) — 'nicht' staat vóór het zinsdeel dat je ontkent en verheldert het contrast.
Waar in de zin plaats ik 'nicht' en 'kein'?</b]
Plaatsing van 'kein'
- 'Kein' staat direct vóór het zelfstandig naamwoord (net als een lidwoord):
Ich habe keinen Stift. (Ik heb geen pen.)
Keine Blumen sind übrig. (Er zijn geen bloemen over.)
Eenvoudige regels voor plaatsing van 'nicht'
1) Plaats 'nicht' direct vóór het onderdeel dat je wilt ontkennen.
- Niet vóór een bijvoeglijk naamwoord: Das ist nicht schön. (Dat is niet mooi.)
- Niet vóór een voorzetselgroep: Er ist nicht im Büro. (Hij is niet op kantoor.)
2) Wil je de hele actie of de hele zin ontkennen, zet 'nicht' meestal aan het einde of vlak voor het werkwoordelijke deel:
- Ich komme heute nicht. (Ik kom vandaag niet.)
- Ich habe das Buch gestern nicht gelesen. (Ik heb het boek gisteren niet gelezen.)
Let op: tijdsbepalingen en bepaalde objecten kunnen vóór 'nicht' staan; 'nicht' komt vaak vlak vóór het voltooid deelwoord of separabele deel.
3) Bij scheidbare werkwoorden komt 'nicht' vóór het afgesplitste voorzetsel/voorvoegsel aan het einde:
- Er macht das Licht nicht an. (Hij doet het licht niet aan.)
- Er steht nicht auf. (Hij staat niet op.)
4) Bij modale of hulpwerkwoorden wordt 'nicht' meestal vóór de volledige infinitiefgroep geplaatst of vóór het voltooid deelwoord:
- Ich will das nicht tun. (Ik wil dat niet doen.)
- Er hat das nicht machen können. (Hij heeft dat niet kunnen doen.)
Voorbeelden die tonen hoe plaatsing de betekenis verandert
- Ich habe den Film nicht gesehen. (Ik heb de film niet gezien.) — ontkenning van de daad 'zien'.
- Ich habe nicht den Film gesehen, sondern die Serie. (Ik heb niet de film gezien, maar de serie.) — ontkenning van het zinsdeel 'den Film' (contrast).
Veelvoorkomende verwarrende gevallen: 'kein' vs 'nicht'
1. Ontkenning van een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord
- Correct: Ich habe kein Geld. (Ik heb geen geld.)
- Fout: Ich habe nicht Geld. (Dit is geen standaard Duits.)
2. Ontkenning van een bepaalde persoon/ding vs lidmaatschap of beroep
- Er ist kein Lehrer. (Hij is geen leraar — hij behoort niet tot de groep van leraren.)
- Er ist nicht der Lehrer. (Hij is niet dé leraar — hij is niet de specifieke leraar waarover gesproken wordt.)
3. Getallen en aantallen
- Ich habe keine Äpfel. (Ik heb geen appels — nul appels.)
- Ich habe nicht zwei Äpfel. (Ik heb niet twee appels — ik zeg: het zijn er niet twee; het kunnen er één of drie zijn.)
Vaak gebruik je 'nicht' om een kwantiteit te ontkennen of te corrigeren: Ich habe nicht zwei, sondern drei Äpfel. (Ik heb niet twee, maar drie appels.)
4. Bezittelijke voornaamwoorden en 'kein'
- Fout: Das ist kein mein Auto. (Verkeerd)
- Correct: Das ist nicht mein Auto. (Dat is niet mijn auto.)
Toelichting: met bezit gebruik je 'nicht' vóór het bezittelijk voornaamwoord.
5. Werkwoord + zelfstandig naamwoord: voorkeuren en houden van
- Ich mag keinen Kaffee. (Ik houd niet van koffie / ik drink geen koffie.) — ontkenning van het zelfstandig naamwoord.
- Ich mag Kaffee nicht. (Minder gebruikelijk; klinkt stomper) — vaak zegt men liever: Ich mag keinen Kaffee of Ich trinke keinen Kaffee.
Andere negatieve woorden: niemand, nichts, nie, nicht einmal
- Niemand (niemand): Niemand war da. (Niemand was daar.)
- Nichts (niets): Ich habe nichts gesehen. (Ik heb niets gezien.)
- Nie (nooit): Ich war nie in Berlin. (Ik ben nooit in Berlijn geweest.)
- Nicht einmal (niet eens / zelfs niet): Er hat nicht einmal angerufen. (Hij heeft zelfs niet gebeld.)
Toelichting: 'nichts' staat in plaats van een zelfstandig naamwoord; gebruik je als er geen ding is om naar te verwijzen. 'Kein' gebruik je vóór een zelfstandig naamwoord; 'nichts' vervangt het zelfstandig naamwoord.
Veelvoorkomende fouten en tips
- Fout: Ich habe nicht Geld. → Correct: Ich habe kein Geld.
Tip: Als je 'geen' voor een zelfstandig naamwoord wilt zeggen, kies bijna altijd 'kein'.
- Fout: Das ist kein mein Problem. → Correct: Das ist nicht mein Problem.
Tip: Gebruik 'nicht' bij bezittelijke voornaamwoorden en bij aanwijzende / bepaalde lidwoorden.
- Let op plaatsing van 'nicht': de betekenis kan veranderen afhankelijk van waar je 'nicht' zet.
Voorbeeld: Ich kenne den Mann nicht. (Ik ken die man niet.) ≠ Ich kenne nicht den Mann, sondern den Vater. (Het is niet die man die ik ken, maar de vader.)
- Gebruik 'kein' bij ontkenning van bestaan of hoeveelheid. Gebruik 'nicht' bij werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en bij ontkenning van specifieke zinsdelen.
- Vermijd dubbele ontkenning (tenzij stilistisch/poëtisch of dialectaal): Ich habe nichts getan. (Correct) — niet: Ich habe nicht nichts getan. (Standaard Duits vermijdt dit.)
- Wil je zeggen dat iets niet bestaat of dat je iets niet hebt? Gebruik 'kein'.
- Wil je zeggen dat een handeling niet plaatsvindt, of een eigenschap niet geldt, of je wilt een specifiek zinsdeel ontkennen? Gebruik 'nicht'.
Voorbeelden: Ich komme nicht. / Das ist nicht gut. / Das ist nicht mein Hund.
- Zet 'kein' direct vóór het zelfstandig naamwoord. Zet 'nicht' vóór het woord of de woordgroep die je wilt ontkennen; om de hele zin te ontkennen, plaats je 'nicht' meestal aan het eind (of vlak vóór het werkwoordelijke deel).
- Negatie / ontkenning: het onjuist maken of zeggen dat iets niet het geval is.
- 'kein': ontkenning vóór een zelfstandig naamwoord; vervangt vaak 'ein/eine'; betekent 'geen'.
- 'nicht': algemene ontkenning voor werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, voorzetselgroepen of hele zinnen; betekent 'niet'.
- Nominatief / Akkusativ / Dativ / Genitiv: naamvallen; hier relevant omdat 'kein' van vorm verandert.
- Predicaat-adjectief: bijvoeglijk naamwoord in combinatie met 'sein/werden/bleiben' (vb. 'Er ist glücklich').
Einde van de gids — bij twijfel: denk eerst of je een zelfstandig naamwoord wilt ontkennen (keuze voor 'kein') of een handeling/eigenschap/zinsdeel (keuze voor 'nicht'), en controleer vervolgens de positie van 'nicht' in de zin.