Geavanceerde betrekkelijke bijzinnen (gebruik van 'whom', 'whose' en complexe structuren)
C1Wat zijn geavanceerde betrekkelijke bijzinnen in het Engels?
Een betrekkelijke bijzin (relative clause) voegt informatie toe over een zelfstandig naamwoord (het antecedent). Bijvoorbeeld: "The woman who called is waiting." De bijzin "who called" vertelt welke vrouw bedoeld wordt.
In deze gids kijken we verder dan de basis (who/which/that) en behandelen we het gebruik van 'whom' en 'whose', het plaatsen van voorzetsels, ingekorte (reduced) vormen en complexe ingebedde (nested) bijzinnen. Alle uitleg is in het Nederlands; voorbeelden zijn in het Engels met Nederlandse vertalingen.
Wanneer gebruik ik 'who', 'whom' en 'whose'?
- who: onderwerp van de bijzin (people)
- Voorbeeld: "The woman who called is my neighbour." → NL: "De vrouw die belde is mijn buurvrouw." (who = onderwerp van called)
- whom: lijdend voorwerp of object na een voorzetsel; formeler dan who
- Voorbeeld: "The man whom I met yesterday is a doctor." → NL: "De man die ik gisteren ontmoette is huisarts." (whom = object van met)
- Met voorzetsel voorop (formeler): "To whom did you speak?" → NL: "Met wie sprak je?"
- Informeler en veel voorkomend: "Who did you speak to?"
- whose: bezittelijk voornaamwoord (possessive), vaak voor mensen maar ook voor dingen
- Voorbeeld (persoon): "The author whose book I read is coming." → NL: "De auteur van wie ik het boek las komt."
- Voorbeeld (ding): "A book whose cover is blue" → NL: "Een boek waarvan de kaft blauw is." (In formeel schrijven kun je ook zeggen "a book the cover of which is blue", maar "whose" is gebruikelijk en natuurlijk.)
Tip om who/whom te testen
Vervang de betrekkelijke voornaamwoordgroep door een persoonlijk voornaamwoord in de zin:
- Als je "he/she/they" zou gebruiken → gebruik who (onderwerpsvorm).
- Als je "him/her/them" zou gebruiken → gebruik whom (objectvorm).
Voorbeeld: "Whom did you meet?" → "You met him." (him → whom)
Restrictieve versus niet-restrictieve bijzinnen (met en zonder komma)
- Restrictief (beperkend): geeft essentiële informatie; géén komma's. Vaak 'that' voor dingen.
- Voorbeeld: "The students who study hard pass the exam." → NL: "De studenten die hard studeren halen het examen." (alle studenten die hard studeren)
- Niet-restrictief (niet-beperkend): extra, niet-essentiële informatie; tussen komma's; gebruik usually who (voor personen) of which (voor dingen). 'That' wordt niet gebruikt in niet-restrictieve bijzinnen.
- Voorbeeld: "My brother, who lives in London, is visiting." → NL: "Mijn broer, die in Londen woont, komt op bezoek." (er is maar één broer; extra info)
Het verschil kan de betekenis veranderen:
- "My brother who lives in London is visiting." → NL: "Mijn broer die in Londen woont komt op bezoek." (impliceert dat ik meerdere broers heb en degene uit Londen komt)
Wanneer kun je het betrekkelijk voornaamwoord weglaten (contact/contact clause)?
Je kunt het betrekkelijk voornaamwoord weglaten wanneer het object van de bijzin is (in spreektaal en schrijftaal bij restrictieve bijzinnen):
- "The book (that) I bought yesterday." → NL: "Het boek dat ik gisteren kocht." (that kan verwijderd worden: "The book I bought yesterday")
- Niet mogelijk als het onderwerp van de bijzin ontbreekt: *"The man Ø works here." is fout. Je hebt "who" nodig: "The man who works here."
Voorzetsels vóór of óp het einde van de bijzin (preposition fronting vs. stranding)
Engels staat voorzetsellassen in twee varianten toe:
- Prepositie voorop (formeler): "To whom did you give the letter?" → NL: "Aan wie gaf je de brief?"
- Prepositie aan eind (informeler, heel gebruikelijk): "Who did you give the letter to?" → NL: "Aan wie gaf je de brief?"
Belangrijk:
- Als de prepositie vóór het betrekkelijk voornaamwoord staat, kun je niet weglaten: "The person to whom I gave the book..." (NIET: "The person to I gave the book...")
- Met dingen gebruik je vaak 'which' na een vooropgezette prepositie: "The room in which we met..." of informeel: "the room we met in..."
Complexe ingebedde betrekkelijke bijzinnen (nesting en niet-finite vormen)
Geneste (nested) bijzinnen
Bijzinnen kunnen binnen elkaar voorkomen (een bijzin binnen een bijzin). Je moet de antecedenten goed volgen.
- Voorbeeld eenvoudig genest:
- "The book that the student who sat next to me borrowed was overdue."
- NL: "Het boek dat de student die naast mij zat had geleend was te laat teruggebracht."
- Analyse: hoofdzin verwijst naar "the book"; binnen de relatieve bijzin staat weer een relatieve bijzin "who sat next to me" die "the student" beschrijft.
- Diepere nesting (minder overzichtelijk):
- "The company that the manager who we met yesterday works for is international."
- NL: "Het bedrijf waarvoor de manager die we gisteren ontmoetten werkt is internationaal."
- Hier helpt herformuleren vaak: "The manager we met yesterday works for an international company."
Tip: als zinnen te diep genest zijn, overweeg om ze op te splitsen of te herschrijven (vb. met een bijvoeglijke bijzin of een aparte zin).
Niet-finite (reduced) betrekkelijke bijzinnen: -ing, -ed en to-infinitive
Soms wordt de betrekkelijke bijzin ingekort tot een niet-finite vorm (zonder een conjugated werkwoord). Dat maakt zinnen korter en vaak natuurlijker.
- Present participle (-ing) voor actieve betekenissen:
- Volledig: "The man who is talking to Jane is my teacher."
- Gereduceerd: "The man talking to Jane is my teacher."
- NL: "De man die met Jane praat is mijn docent."
- Past participle (voltooid deelwoord) voor passieve/voltooide betekenissen:
- Volledig: "The students who were invited to the meeting arrived."
- Gereduceerd: "The students invited to the meeting arrived."
- NL: "De studenten die voor de vergadering waren uitgenodigd kwamen aan."
- To-infinitive (vaak met doelen of verwachtingen):
- "I have a lot to do." (= "I have a lot [that I] must do.")
- NL: "Ik heb veel te doen."
Beperkingen:
- Je kunt alleen reduceren als het onderwerp van de bijzin hetzelfde is als het antecedent.
- Reduceren werkt niet als er een volledig onderwerp of extra bijzinstructuur nodig is.
Relatieve bijzinnen die naar hele zinnen verwijzen (sentence-level 'which')
Soms verwijst "which" naar een gehele voorgaande zin of gedachte:
- "She missed the bus, which annoyed her." → NL: "Ze miste de bus, wat haar irriteerde." ("which" verwijst naar het hele gebeuren)
Resumptieve voornaamwoorden en informele varianten
In sommige informele registers en dialecten zie je resumptieve pronouns: "That's the man who I saw him yesterday." Dit is niet standaard in formeel Engels. Standaard is: "That's the man who I saw yesterday." of "That's the man whom I saw yesterday."
Gebruik van 'that' vs 'which' vs 'who' in complexe structuren
- that: meestal voor restrictieve bijzinnen (voor dingen, soms mensen in informeel taalgebruik). Kan vaak weggelaten als object.
- "The book that you recommended was good." → NL: "Het boek dat je aanbeveelde was goed."
- which: vaak gebruikt voor dingen; gebruikt in niet-restrictieve bijzinnen (met komma's) en ook in formele constructies na voorzetsel.
- "The car, which was red, belonged to my friend." → NL: "De auto, die rood was, behoorde toe aan mijn vriend."
- who: mensen (subject positie). who kan in informele spraak 'whom' vervangen.
Regel voor niet-restrictief: gebruik nooit 'that' met komma's. Gebruik 'which' of 'who'.
Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden
- Fout: "Who did you give the book?" (informeel vaak geaccepteerd) vs formeel: "To whom did you give the book?"
- Oplossing: Gebruik de he/she test: vervang door him/her. Als dat past: gebruik whom. Anders: who.
- Verkeerd: "My sister who lives in Amsterdam is visiting." (als je maar één zus hebt moet je komma's gebruiken)
- Correct: "My sister, who lives in Amsterdam, is visiting." of restrictief zonder komma als je onderscheid wilt maken.
- Als een zin onoverzichtelijk wordt, splits hem of gebruik een andere constructie: een bijvoeglijke bijzin of twee zinnen.
- Origineel complex: "The company that the manager who we met yesterday works for is international."
- Eenvoudiger: "We met gisteren een manager. He works for an international company." of "The manager we met yesterday works for an international company."
Uitgebreide voorbeelden en analyse
Hier een set voorbeelden per categorie, met korte uitleg.
- Who als onderwerp:
- "The girl who won the prize is sixteen." → NL: "Het meisje dat de prijs won is zestien." (who = onderwerp van won)
- Whom als object (formeel):
- "The candidate whom they interviewed was nervous." → NL: "De kandidaat die ze geïnterviewd hadden was nerveus."
- Informeel: "The candidate they interviewed was nervous." (whom kan weggelaten)
- Whom na voorzetsel (fronting):
- Formeel: "With whom did you arrive?" → NL: "Met wie kwam je aan?"
- Informeel: "Who did you arrive with?" → NL: "Met wie kwam je aan?"
- Whose voor bezit (personen en dingen):
- Persoon: "Students whose grades improved were rewarded." → NL: "Studenten wiens cijfers verbeterden werden beloond."
- Ding: "A tree whose leaves turn red in autumn." → NL: "Een boom waarvan de bladeren in de herfst rood worden."
- Formeel alternatief: "A tree the leaves of which turn red in autumn." (minder natuurlijk)
- Restrictief vs niet-restrictief:
- Restrictief: "Books that explain grammar are useful." → NL: "Boeken die grammatica uitleggen zijn nuttig." (alle boeken die grammatica uitleggen)
- Niet-restrictief: "My book, which I bought yesterday, is already useful." → NL: "Mijn boek, dat ik gisteren kocht, is al nuttig." (extra info)
- Reduced present participle:
- "People living near the station complained." → NL: "Mensen die nabij het station wonen klaagden." (equivalent van "People who live near the station")
- Reduced past participle:
- "Students accepted into the program celebrated." → NL: "Studenten die tot het programma werden toegelaten vierden." (equivalent van "Students who were accepted into the program")
- To-infinitive als verkorte bijzin:
- "I have nothing to say." → NL: "Ik heb niets te zeggen." (verkorting van "I have nothing that I can say")
- Nested relative clauses:
- "The engineer who designed the bridge that collapsed was questioned."
- NL: "De ingenieur die de brug ontwierp die instortte werd ondervraagd."
- Analyse: hoofd antecedent = 'the engineer'; binnen de bijzin 'who designed the bridge' staat de bijzin 'that collapsed' die 'the bridge' beschrijft.
- Relatieve bijzin verwijst naar hele zin:
- "He failed the test, which disappointed his parents." → NL: "Hij faalde voor het examen, wat zijn ouders teleurstelde."
- Voorzetsel + which (formeel):
- "The policy under which employees were hired has changed." → NL: "Het beleid waaronder werknemers werden aangenomen is veranderd."
- Informeel: "The policy employees were hired under has changed." (minder formeel en soms onduidelijk)
Korte woordenlijst (glossarium)
- Antecedent (antecedent): het woord dat door de betrekkelijke bijzin wordt beschreven (bv. "the man" in "the man who came").
- Betrekkelijke bijzin (relative clause): bijzin die iets zegt over een zelfstandig naamwoord.
- Restrictief (restrictive): essentieel voor de betekenis van het antecedent (geen komma).
- Niet-restrictief (non-restrictive): extra informatie (tussen komma's).
- Whom: objectvorm van who (formeel).
- Whose: bezittelijke vorm; vaak voor mensen, soms voor dingen.
- Voorzetselstranding (preposition stranding): het voorzetsel staat aan het eind: "Who did you talk to?"
- Niet-finite reductie: het weglaten van een vervoegd werkwoord en vervangen door -ing, -ed of to-infinitive.
Kort overzicht en advies
- Gebruik who voor onderwerpen en whom voor objecten in formeel taalgebruik; in informeel taalgebruik zegt men vaak who in plaats van whom.
- Gebruik whose voor bezit; voor dingen is whose acceptabel en vaak natuurlijk.
- Gebruik komma's voor niet-restrictieve bijzinnen; gebruik geen 'that' in niet-restrictieve bijzinnen.
- Bij complexe of geneste bijzinnen: overweeg herformulering om vaagheid te voorkomen.
- Oefen met de "he/him"-test om te beslissen tussen who en whom.
Als je voorbeelden of moeilijke zinnen uit je eigen tekst hebt, kan ik ze voor je analyseren en herschrijven zodat ze natuurlijk en grammaticaal correct klinken.