Zinnen ontkennend maken met 'not' (simple present)
A1Zinnen ontkennend maken met 'not' (simple present)
Dit artikel legt stap voor stap uit hoe je in het Engels ontkennende zinnen maakt in de simple present met 'not'. Je leert wanneer je hulpwerkwoorden do/does nodig hebt, hoe je 'not' gebruikt met het werkwoord 'be' en met modale werkwoorden, welke contracties (samentrekkingen) veel voorkomen, en welke fouten je moet vermijden. Alle uitleg is in het Nederlands; voorbeelden zijn in het Engels met Nederlandse vertalingen.
Wat is de simple present?
De simple present is de tegenwoordige tijd die we gebruiken voor:
- gewoonten en routines (I get up at 7 every day),
- feiten en algemene waarheden (Water boils at 100°C),
- vaste schema's of roosters (The train leaves at 8).
Voorbeelden:
- I work every day. — Ik werk elke dag.
- Water boils at 100°C. — Water kookt bij 100°C.
- The plane leaves at 9 o'clock. — Het vliegtuig vertrekt om 9 uur.
Als je zo'n zin ontkennend wilt maken, gebruik je meestal 'not'. In het Engels heb je vaak een hulpwerkwoord nodig (do/does) om die ontkenning te vormen — behalve bij 'be' en bij modale werkwoorden.
Wanneer gebruik ik ontkenningen in de simple present?
Je gebruikt een ontkenning in de simple present wanneer je zegt dat iets niet gebeurt, geen gewoonte is, niet waar is of niet van toepassing is:
- I don't smoke. — Ik rook niet.
- She doesn't eat meat. — Zij eet geen vlees.
- The shop doesn't open on Sundays. — De winkel is op zondag niet open.
Hoe vorm ik ontkennende zinnen in de simple present?
1) Werkwoorden anders dan 'be' — do / does + not
Regel:
Subject + do/does + not + basisvorm (werkwoord zonder -s)
- Voor I / you / we / they gebruik je do + not (do not) of de contractie don't.
- Voor he / she / it gebruik je does + not (does not) of de contractie doesn't.
Voorbeelden:
- I do not (don't) like coffee. — Ik hou niet van koffie.
- You do not (don't) need to come. — Je hoeft niet te komen.
- We do not (don't) go there on Sundays. — We gaan daar op zondag niet heen.
- He does not (doesn't) play tennis. — Hij speelt geen tennis.
Belangrijke opmerkingen:
- Na does (of doesn't) gebruik je de basisvorm van het werkwoord: He doesn't like (niet: doesn't likes).
- Gebruik don't niet bij he/she/it: He don't is fout; het moet He doesn't.
Veelvoorkomende fout (vergelijk):
- Fout: He don't like it. — Correct: He doesn't like it.
- Fout: She doesn't likes pizza. — Correct: She doesn't like pizza.
2) Het werkwoord 'be'
Bij 'be' (am / is / are) zet je 'not' direct achter het werkwoord. Er is geen extra 'do'.
Voorbeelden:
- I am not a student. — Ik ben geen student. (contractie: I'm not a student.)
- He is not ready. — Hij is niet klaar. (contractie: He isn't ready.)
- They are not at home. — Zij zijn niet thuis. (contractie: They aren't at home.)
Opmerking over 'am': de standaardcontractie is I'm not (niet *amn't). In negatieve vragen hoor je vaak "Aren't I...?" als informele vorm in plaats van "Am I not...?".
3) Modale werkwoorden (can, may, must, enz.)
Bij modale werkwoorden voeg je 'not' direct ná het modale werkwoord:
- She cannot / can't swim. — Zij kan niet zwemmen.
- You must not park here. — Je mag hier niet parkeren.
- They may not come. — Het kan zijn dat ze niet komen.
Opmerking: 'cannot' wordt gewoonlijk aan elkaar geschreven; de contractie is can't.
4) 'Have' als hoofwerkwoord
Als 'have' een bezit aangeeft (I have a car), vorm je de ontkenning meestal met do/does:
- I do not (don't) have a car. — Ik heb geen auto.
- He does not (doesn't) have a car. — Hij heeft geen auto.
In het Brits-Engels hoor je ook vaak 'have got' en dan gaat de ontkening via 'have':
- I haven't got a car. — Ik heb geen auto. (formeel: I do not have a car.)
5) Contracties (don't, doesn't, isn't, I'm not, can't…)
Veel ontkennende zinnen gebruiken een contractie in gesproken en informeel schriftelijk Engels. Enkele veelvoorkomende:
- do not → don't
- does not → doesn't
- is not → isn't
- are not → aren't
- am not → I'm not
- cannot → can't
Voorbeeld:
- I don't understand. — Ik begrijp het niet.
- She doesn't work here. — Zij werkt hier niet.
- He isn't hungry. — Hij heeft geen honger.
Let op: contracties geven een informele toon. Als je nadruk wilt leggen of formeel schrijft, gebruik je de volledige vorm: "I do not agree."
6) Korte antwoorden en negatieve vragen
Korte negatieve antwoorden (short answers):
- Do you like tea? — No, I don't. — Houd je van thee? — Nee, dat doe ik niet.
- Is she ready? — No, she's not. — Is zij klaar? — Nee, dat is ze niet.
Negatieve ja/nee-vragen:
- Doesn't he work here? — Werkt hij hier niet?
- Does he not work here? — (meer formeel)
De ingekorte vorm (Doesn't he...?) is in spreektaal het meest gebruikelijk.
Veelvoorkomende fouten en handige tips
- Gebruik 'doesn't' voor he/she/it, niet 'don't'.
- Fout: He don't like it. — Juist: He doesn't like it.
- Gebruik na 'doesn't' de basisvorm van het werkwoord (geen -s).
- Fout: She doesn't likes it. — Juist: She doesn't like it.
- Je kunt niet simpelweg 'not' achter het hoofdwerkwoord zetten als er geen hulpwerkwoord is.
- Fout: He not like coffee. — Juist: He doesn't like coffee.
- Dubbele ontkenningen zijn in standaard Engels verkeerd (let op Nederlandse invloed).
- Fout: I don't know nothing. — Juist: I don't know anything. / I know nothing.
- Verwarring met 'geen' en 'niet' bij vertalen naar het Nederlands:
- English: I don't have any money. — Nederlands: Ik heb geen geld. (LET OP: in het Nederlands gebruik je vaak 'geen' vóór het zelfstandig naamwoord.)
- 'Amn't' is geen standaard Engels. Gebruik 'I'm not' of in vragen 'Aren't I?'.
Voorbeelden (do/does + not en contracties)
Hier een lijst met veelgebruikte voorbeelden in de simple present, met en zonder contractie:
- I do not (don't) like coffee. — Ik hou niet van koffie.
- You do not (don't) need to worry. — Je hoeft je geen zorgen te maken.
- We do not (don't) go to school on Sundays. — Wij gaan op zondag niet naar school.
- He does not (doesn't) eat meat. — Hij eet geen vlees.
- She does not (doesn't) work here. — Zij werkt hier niet.
- It does not (doesn't) make sense. — Het slaat geen sla.
- I am not (I'm not) a teacher. — Ik ben geen docent.
- He is not (he isn't) ready. — Hij is niet klaar.
- They are not (they aren't) at home. — Zij zijn niet thuis.
- I cannot / can't swim. — Ik kan niet zwemmen.
- You must not / mustn't park here. — Je mag hier niet parkeren.
- I don't have (I haven't got) a car. — Ik heb geen auto.
Voor korte antwoorden en vragen:
- Do you like pizza? — No, I don't. — Vind je pizza lekker? — Nee, dat doe ik niet.
- Does she live here? — No, she doesn't. — Woont zij hier? — Nee, dat doet zij niet.
- Isn't he coming? — No, he's not. — Komt hij niet? — Nee, dat doet hij niet.
Samenvatting — snelle regels
- Voor de meeste werkwoorden: gebruik do/does + not + basisvorm.
- I/you/we/they → do not (don't) + basisvorm.
- he/she/it → does not (doesn't) + basisvorm.
- Voor 'be': gebruik be + not (I'm not, he isn't, they aren't).
- Voor modale werkwoorden: modal + not (can't, mustn't, may not).
- Vermijd dubbele ontkenningen en voeg geen -s toe na doesn't.
Woordenlijst (glossarium)</b]
- Hulpwerkwoord (auxiliary): een werkwoord dat nodig is om tijd, vraag of ontkenning te vormen (bv. do, does).
- Basisvorm (base form): de infinitief zonder 'to' (bv. play, eat, go).
- Derde persoon enkelvoud (third person singular): he / she / it — let op subject-verb agreement.
- Contractie (contraction): samenvoeging van twee woorden met een apostrof (don't = do not).
- Ontkennende zin (negative sentence): een zin die zegt dat iets niet gebeurt of niet waar is.
Als je wilt, kan ik meer voorbeelden op jouw niveau geven of zinnen corrigeren die jij maakt. Veel succes met oefenen!