Betrekkelijke voornaamwoorden: qui, que
A2Betrekkelijke voornaamwoorden: qui, que
Deze gids legt helder uit hoe de Franse betrekkelijke voornaamwoorden "qui" en "que" werken. Je leert wat ze betekenen, wanneer je welk woord gebruikt, hoe ze geschreven worden (inclusief elisie: qu') en welke fouten veel voorkomen. Bij elk punt vind je duidelijke Franse voorbeeldzinnen met Nederlandse vertaling.
Wat betekenen 'qui' en 'que'?
Kort gezegd: onderwerp versus lijdend voorwerp
'Qui' = onderwerp van de bijzin
- Gebruik "qui" wanneer het betrekkelijk voornaamwoord het onderwerp is van de bijzin (dus degene die de handeling uitvoert). Na "qui" volgt altijd een werkwoord.
- Voorbeelden:
- La femme qui parle est ma sœur. — De vrouw die spreekt is mijn zus.
- Le chien qui aboie appartient au voisin. — De hond die blaft behoort tot de buurman.
- Les étudiants qui étudient réussissent. — De studenten die studeren slagen.
'Que' = lijdend voorwerp van de bijzin (direct object)</b>
- Gebruik "que" wanneer het betrekkelijk voornaamwoord het directe object van de bijzin vervangt (dus degene die de handeling ondergaat). Na "que" volgt gewoonlijk een onderwerp + werkwoord.
- Voorbeelden:
- Le livre que j'ai lu est intéressant. — Het boek dat ik heb gelezen is interessant.
- La femme que tu as rencontrée hier est ma voisine. — De vrouw die je gisteren hebt ontmoet is mijn buurvrouw.
- Les chansons que nous avons chantées étaient belles. — De liedjes die we hebben gezongen waren mooi.
Wanneer gebruik ik 'qui' en wanneer 'que'?[ /b]
- Vraag jezelf af: is het betrekkelijke voornaamwoord het onderwerp van de bijzin of het lijdend voorwerp?
- Als het onderwerp is → kies "qui".
- Als het lijdend voorwerp (direct object) is → kies "que".
Voor Nederlandssprekenden: vertaal eerst naar het Nederlands met "die/dat/wie". Kijk of dat vertaalde woord in de bijzin het onderwerp of object is.
Voorbeelden ter oefening (Frans → Nederlands):
- L'homme qui parle est professeur. — De man die praat is docent. (qui = onderwerp)
- L'homme que j'ai vu est professeur. — De man die ik heb gezien is docent. (que = object)
Spelling en elisie: qu'
- "Que" wordt tot "qu'" weggelaten voor woorden die beginnen met een klinker of een stomme h (h muet). Dit voorkomt klinkerbotsing.
- Voorbeelden:
- L'ami qu'il a invité est gentil. — De vriend die hij heeft uitgenodigd is vriendelijk.
- L'homme qu'elle aime. — De man van wie ze houdt.
Let op: je schrijft nooit "que il"; het moet altijd "qu'il" (of „qu'elle“, „qu'on“ enz.).
Passé composé: overeenkomst van het voltooid deelwoord bij 'que'
- Als de bijzin in het passé composé staat en het hulpwerkwoord is avoir, moet het voltooid deelwoord overeenkomen in geslacht en getal met het antecedent (het woord waar "que" naar verwijst), omdat dat antecedent vóór het voltooid deelwoord staat.
- Voorbeelden:
- La lettre que j'ai écrite. — De brief die ik heb geschreven. (écrite = vrouwelijk enkelvoud: la lettre)
- Les films que nous avons vus. — De films die we hebben gezien. (vus = mannelijk meervoud: les films)
- La robe que j'ai achetée. — De jurk die ik heb gekocht. (achetée = vrouwelijk enkelvoud)
- "Qui" is onderwerp van de bijzin. Wanneer het onderwerp na het hulpwerkwoord staat (bijvoorbeeld bij avoir) is er geen vooraf geplaatst direct object en dus geen speciale overeenkomstregel. Het voltooid deelwoord verandert niet *omdat* van "qui" zelf. Het volgt de normale regels van het gebruikte hulpwerkwoord.
- Vergelijk:
- Les filles qui ont chanté. — De meisjes die gezongen hebben. (geen extra -e of -es vanwege 'qui')
- Les filles que j'ai entendues chanter. — De meisjes die ik heb horen zingen. (entendues = overeenkomst omdat 'les filles' het lijdend voorwerp vóór het werkwoord is)
Voorzetsels: wanneer gebruik je 'qui' en wanneer 'lequel' enz.?
- Als het betrekkelijk voornaamwoord het object is van een voorzetsel (à, de, avec, pour, etc.) en het antecedent is een persoon, gebruik je vaak "qui".
- Voorbeelden:
- La personne à qui je parle est médecin. — De persoon met wie ik praat is arts.
- La femme avec qui je travaille est française. — De vrouw met wie ik werk is Frans.
- Als het antecedent een ding is, gebruik je niet "qui" maar "lequel" of een van de verbogen vormen (auquel, dans lequel, etc.).
- Voorbeelden:
- Le livre auquel je pense est ancien. — Het boek waaraan ik denk is oud.
- La maison dans laquelle nous vivons est grande. — Het huis waarin wij leven is groot.
Kort: persoon + voorzetsel → "qui". Ding + voorzetsel → "lequel/auquel/etc.".
Constructie: C'est + qui / C'est + que (emfatische zinnen)
- In de constructie "C'est X qui ..." staat X in functie van onderwerp van de bijzin:
- C'est moi qui décide. — Ik ben het die beslist. (moi = onderwerp van de bijzin: qui)
- In "C'est X que ..." staat X in functie van lijdend voorwerp van de bijzin:
- C'est moi que tu vois. — Ik ben het die jij ziet. (moi = object van de bijzin: que)
Voor Nederlandse sprekers: kijk wat de rol van X is in de bijzin (onderwerp of object) en kies "qui" of "que" overeenkomstig.
Veelgemaakte fouten (met correcties)
- Fout: Le garçon que parle.
Correct: Le garçon qui parle.
Reden: "parle" heeft een onderwerp nodig; dus "qui".
- Fout: La chanson qui j'ai entendue.
Correct: La chanson que j'ai entendue.
Reden: hier is de bijzin "j'ai entendue" en "la chanson" is het object → gebruik "que".
- Fout: La personne à que je pense.
Correct: La personne à qui je pense.
Reden: na voorzetsel + persoon gebruik je "qui".
- Fout: Les livres qui j'ai lus.
Correct: Les livres que j'ai lus.
Reden: "les livres" is het direct object van "ai lus" → "que".
- Fout: Le film que je suis allé.
Correct: Le film que je suis allé voir. (of: Le film que j'ai vu.)
Reden: werkwoord en zinsbouw kloppen niet zonder extra werkwoord of ander hulpwerkwoord.
Handige tips om te kiezen
- Vervang het Franse betrekkelijke voornaamwoord tijdelijk door "die/dat/wie" in het Nederlands en kijk of in die Nederlandse bijzin het woord het onderwerp (wie doet iets?) of het object (wie ondergaat iets?) is.
- Als er een voorzetsel vóór het betrekkelijke voornaamwoord staat en het antecedent is een persoon → gebruik "qui" (à qui, avec qui, pour qui...). Als het antecedent een ding is → gebruik "lequel/à laquelle/duquel".
- Let op elisie: schrijf "qu'" voor klinkers (qu'il, qu'elle, qu'on).
Samenvatting (kort overzicht)
- Qui = onderwerp van de bijzin. Na "qui" volgt een werkwoord. (La femme qui parle.)
- Que = direct object (lijdend voorwerp) van de bijzin. Na "que" volgt onderwerp + werkwoord. (Le livre que j'ai lu.)
- Que wordt "qu'" vóór klinkers of stomme h. (L'ami qu'il a invité.)
- Bij passé composé met avoir: als "que" het voorafgaande direct object vervangt, moet het voltooid deelwoord overeenkomen in geslacht en getal met dat antecedent. (La lettre que j'ai écrite.)
- Na voorzetsels: persoon → "qui" (à qui, avec qui); ding → "lequel/auquel".
Woordenlijst / Glossarium
- Antecedent (het antecedent): het woord in de hoofzin waarnaar het betrekkelijke voornaamwoord verwijst. (bv. "le livre" in "le livre que j'ai lu")
- Betrekkelijke voornaamwoord (pronom relatif): een woord dat twee zinnen verbindt en terugverwijst naar een antecedent (bv. qui, que, dont, lequel).
- Onderwerp (sujet): wie of wat de handeling uitvoert.
- Lijdend voorwerp (objet direct): wie of wat de handeling ondergaat zonder voorzetsel.
- Elisie: weglating van een klinker en vervanging door een apostrof (bv. que → qu' vóór een klinker).
--
Als je dit stappenplan volgt en veel voorbeelden leest of maakt, wordt het kiezen tussen "qui" en "que" snel vanzelfsprekend. Succes met oefenen!