Causatieve constructie (faire + infinitief)

B2

Causatieve constructie (faire + infinitief)

Wat betekent deze constructie?

De Franse causatieve constructie faire + infinitief wordt gebruikt om aan te geven dat het onderwerp een handeling laat uitvoeren door iemand anders of ervoor zorgt dat iets gebeurt. In het Nederlands vertaal je dit meestal met "laten" (of soms "doen" / "zorgen dat"). Voorbeeld:

Je fais réparer ma voiture. — Ik laat mijn auto repareren.

Let op: het Franse werkwoord faire heeft ook andere betekenissen (zoals "doen/maken" in "je fais mes devoirs"). Hier gaat het specifiek om de combinatie faire + een ander werkwoord in de infinitief.

Wanneer gebruik je faire + infinitief?

1) Iemand iets laten doen (causatie: iemand doet iets omdat jij het veroorzaakt)

- De spreker veroorzaakt of dwingt dat iemand een handeling uitvoert.
- Voorbeeld:
Je fais travailler mes élèves. — Ik laat / dwing mijn leerlingen te werken.
Le professeur fait lire un texte aux étudiants. — De leraar laat de studenten een tekst lezen.

2) Iets laten doen / laten uitvoeren door een ander (arrangeren: zorgen dat iets gebeurt)

- Je regelt dat iets voor jou gebeurd (vaak geen nadruk op wie het precies doet).
- Voorbeeld:
J'ai fait réparer ma voiture. — Ik heb mijn auto laten repareren.
Nous faisons construire une maison. — Wij laten een huis bouwen.

3) Passieve/ondergane betekenis met se faire

- Met het wederkerige se faire betekent het vaak dat het onderwerp iets ondergaat (passieve betekenis):
Je me suis fait voler mon portefeuille. — Mijn portemonnee is van mij gestolen / Ik ben beroofd.
Elle s'est fait gronder. — Ze is terechtgewezen / ze kreeg een uitbrander.

4) Idiomatische en nuanceringen

- Faire kan nadruk leggen op het laten gebeuren (ik zorg ervoor dat iemand iets doet), terwijl laisser (laten/permiteren) meer toestemming aanduidt.
Je fais partir le taxi. — Ik laat/tijd het taxi vertrekken (ik zorg ervoor dat het vertrekt).
Je le laisse partir. — Ik laat hem vertrekken (ik geef toestemming).

Hoe vorm je de constructie (uitgebreide uitleg en tijden)?

Basisvorm

Subject + faire (geconjugeerd) + infinitief (van het werkwoord dat uitgevoerd wordt).

- Présent: Il fait réparer la porte. — Hij laat de deur repareren.
- Imparfait: Il faisait réparer la porte. — Hij liet de deur repareren / hij zorgde er (toen) voor dat de deur werd gerepareerd.
- Futur: Il fera réparer la porte. — Hij zal de deur laten repareren.
- Conditionnel: Il ferait réparer la porte. — Hij zou de deur laten repareren.

Passé composé en andere samengestelde tijden

- Voor de samengestelde tijden van de causatieve constructie gebruik je het hulpwerkwoord van faire. Meestal is dat avoir:
J'ai fait réparer la voiture. — Ik heb de auto laten repareren.

- Belangrijk: het werkwoord na faire blijft in de infinitief. Je vervoegt alleen faire (j'ai fait).

Reflexieve vorm en hulpwerkwoord

- Als je se faire gebruikt (wederkerig), staat het hulpwerkwoord être in de samengestelde tijden:
Elle s'est fait couper les cheveux. — Zij heeft haar haar laten knippen.

- In deze constructie blijft fait onveranderd (geen overeenkomst in geslacht/aantal). Zie verder bij veelgemaakte fouten.

Plaats van voornaamwoorden (le, la, les, lui, leur, y, en, me/te... )

Algemene regel

- Object- en plaatsvoornaamwoorden (me, te, se, nous, vous, le, la, les, lui, leur, y, en) komen vóór het vervoegde faire (behalve in het affirmerende imperatief, zie hieronder).

Voorbeelden:
- Je le fais réparer. — Ik laat het repareren. (le = het)
- Je leur ai fait écrire la lettre. — Ik heb hen de brief laten schrijven.
- Je le lui ai fait lire. — Ik heb het hem laten lezen.
- Je leur en ai fait manger. — Ik heb ze er (daar) van laten eten.

Volgorde van voornaamwoorden (korte geheugenregel)

(me/te/se/nous/vous) > (le/la/les) > (lui/leur) > (y) > (en).

Dus: Je le lui ai fait signer. (le vóór lui)

Imperatief

- In de affirmerende imperatief (bevelvorm) worden de voornaamwoorden achter het werkwoord geplaatst en met een koppelteken verbonden; me/te veranderen in moi/toi.
Fais-le venir ! — Laat hem komen!
Fais-moi comprendre ! — Zorg dat ik het begrijp / laat me het begrijpen!

- In de negatieve imperatief blijven de voornaamwoorden vóór het werkwoord staan:
Ne me fais pas dire ça. — Laat me dat niet zeggen.

Se faire + infinitief: bijzondere gevallen en passieve betekenis

Wat betekent se faire + infinitief?

- Se faire + infinitief gebruik je vaak om aan te geven dat het onderwerp iets ondergaat: "iemand laat iets aan zichzelf doen" of "iemand krijgt iets aangedaan".
Je me fais couper les cheveux. — Ik laat mijn haar knippen.
Il s'est fait voler. — Hij is beroofd.

Werkwoordstijd in het verleden

- Bij se faire in het passé composé: il/elle/on s'est fait + infinitief. Let op dat fait onveranderd blijft; er is geen overeenkomst van fait met het onderwerp zoals je dat soms zou verwachten met être.
Elle s'est fait inviter. — Ze is uitgenodigd (ze liet zich uitnodigen / men heeft haar uitgenodigd).

Verschil met de passieve vorm (être + participe passé)

- Être + participe passé is de gewone lijdende vorm: La lettre a été écrite. — De brief is geschreven.
- Se faire + infinitief heeft vaak een meer spreektaal/ervaringstonen en kan benadrukken dat iemand iets onderging: Il s'est fait licencier vs Il a été licencié. Vaak zijn beide mogelijk, maar nuancering en registers verschilt.

Vergelijking met andere structuren die verwarring geven

Faire vs laisser

- Faire: oorzaak/arrangeren/iem. iets laten doen.
Il fait pleurer son frère. — Hij laat zijn broer huilen / hij veroorzaakt dat zijn broer huilt.
- Laisser: toelating/permitsie.
Il laisse son frère partir. — Hij laat zijn broer vertrekken (hij staat het toe).

Faire + infinitief vs faire faire (dubbele faire)

- Faire faire un vêtement = laten maken/kopen: iemand anders maakt iets voor jou (= faire + infinitief waarbij infinitief ook faire is):
Elle fait faire sa robe. — Zij laat haar jurk maken (door een kleermaker).

Veelgemaakte fouten (met voorbeelden en correcties)</b]

1) Verkeerde plaats van voornaamwoorden

Fout: Je fais le réparer.
Correct: Je le fais réparer. — In de normale (niet-bevel)vorm komt het voornaamwoord vóór faire.

2) Onjuiste overeenkomst van "fait" in samengestelde tijden

Fout: Les lettres que je leur ai faites écrire.
Correct: Les lettres que je leur ai fait écrire. — "Fait" blijft onveranderd omdat het voorwerp (les lettres) het lijdend voorwerp is van het infinitief écrire, niet van faire.

3) Verkeerd gebruik van hulpwerkwoord bij se faire

Fout: Elle s'est faite couper les cheveux.
Correct: Elle s'est fait couper les cheveux. — Bij "se faire + infinitief" blijft fait onveranderd; je gebruikt être als hulpwerkwoord (s'est) maar geen overeenkomst op fait.

4) Verwarring met faire als gewoon "doen"

- "Je fais mes devoirs" betekent "Ik maak/doe mijn huiswerk" en is geen causatieve constructie. Alleen wanneer er een tweede werkwoord in infinitief volgt is het causatief: "Je fais faire mes devoirs" (niet gebruikelijk) of "Je fais corriger mes devoirs" (Ik laat mijn huiswerk corrigeren).

Praktische tips & korte samenvatting

- Vertaal faire + infinitief meestal met "laten" (Ik laat iets doen / Ik heb iets gedaan).
- In normale zinnen staan voornaamwoorden vóór het vervoegde faire (behalve in de positieve imperatief).
- In samengestelde tijden wordt alleen faire vervoegd (j'ai fait …) en blijft het volgende werkwoord in de infinitief.
- "Se faire + infinitief" gebruik je vaak om aan te geven dat je iets ondergaat (passieve nuance). In de verleden tijd: s'est fait + infinitief (fait onveranderd).
- Pas op met de foutieve overeenkomst van "fait"; maak niet "faites/faite" als het lijdend voorwerp bij het infinitief hoort.

Uitgebreide voorbeelden (georganiseerd per gebruik)</b]

Iemand iets laten doen (causatie):
Je fais travailler mes enfants. — Ik laat mijn kinderen werken. Le professeur fait réciter la poésie aux élèves. — De leraar laat de leerlingen het gedicht voordragen. Elle fait parler son frère. — Zij laat haar broer praten / ze laat haar broer iets zeggen.
Iets laten doen door iemand anders (arrangeren):
J'ai fait réparer ma voiture. — Ik heb mijn auto laten repareren. Nous avons fait construire une maison. — Wij hebben een huis laten bouwen. Il va faire installer une alarme. — Hij gaat een alarm laten installeren. Je fais peindre la chambre. — Ik laat de kamer schilderen.
Se faire (passief/ondergaan):
Je me fais couper les cheveux. — Ik laat mijn haar knippen. Elle s'est fait voler son sac. — Haar tas is gestolen / ze is beroofd. Ils se sont fait insulter. — Ze zijn uitgescholden.
Voornaamwoorden (plaatsing en voorbeelden):
Je le fais réparer. — Ik laat het repareren. Je la fais venir. — Ik laat haar komen. Je le lui ai fait lire. — Ik heb het hem laten lezen. Je le leur ai fait donner. — Ik heb het hun laten geven. Je leur en ai fait manger. — Ik heb ze er (wat) van laten eten.

Imperatief voorbeelden:
Fais-le venir ! — Laat hem komen!
Fais-moi comprendre ! — Laat me het begrijpen!
Ne me fais pas dire ça ! — Laat me dat niet zeggen!

Tijdsvoorbeelden (om volledigheid):
Présent: Je fais réparer la fenêtre. — Ik laat het raam repareren. Imparfait: Je faisais réparer la fenêtre chaque année. — Ik liet elk jaar het raam repareren. Passé composé: J'ai fait réparer la fenêtre hier. — Ik heb het raam gisteren laten repareren. Plus-que-parfait: J'avais fait réparer la fenêtre avant l'hiver. — Ik had het raam laten repareren voor de winter. Futur: Je ferai réparer la fenêtre demain. — Ik zal het raam morgen laten repareren. Conditionnel: Je ferais réparer la fenêtre si j'avais de l'argent. — Ik zou het raam laten repareren als ik geld had.

Woordenlijst / kort glossarium

- Infinitief (infinitif): de niet-gebogen vorm van een werkwoord (bijv. réparer, écrire).
- Participe passé: voltooid deelwoord (bijv. fait, écrit, réparé).
- Hulpwerkwoord (auxiliaire): avoir of être, gebruikt bij samengestelde tijden.
- COD (complément d'objet direct) / lijdend voorwerp: wie of wat direct de handeling ondergaat.
- COI (complément d'objet indirect) / meewerkend voorwerp: meestal met à (à quelqu'un).
- Voornaamwoorden/clitics: me, te, se, nous, vous, le, la, les, lui, leur, y, en — korte woordjes die voor het werkwoord komen.

Tot slot — snel overzicht voor in de praktijk

- Vertaald vaak met "laten".
- Voornaamwoord vóór faire (present, passé composé, etc.); uitzondering: affirmative imperatief.
- Gebruik "par" of "à" om de uitvoerder expliciet te noemen (par = door; à kan betekenen: "aan wie je de taak geeft").
- Let op "se faire" in passé composé: s'est fait + infinitief (fait onveranderd).

Veel succes met herkennen en gebruiken van faire + infinitief — oefen vooral met voorbeelden uit echte zinnen (juridisch, alledaags, en spreektaal) om het verschil tussen "faire", "laisser" en de passieve vormen goed te voelen.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York