Passé composé met être (inclusief wederkerende werkwoorden)
A2Passé composé met être (inclusief wederkerende werkwoorden)
Het passé composé is één van de belangrijkste verleden tijden in het Frans. Voor de meeste werkwoorden gebruik je het hulpwerkwoord avoir; sommige werkwoorden (voornamelijk beweging en verandering van toestand) en álle wederkerende (pronominale) werkwoorden gebruiken echter être als hulpwerkwoord. In dit artikel leg ik helder uit wat dat betekent, wanneer je être gebruikt, hoe je het vormt en — heel belangrijk — wanneer en hoe het voltooid deelwoord moet overeenkomen (accord). Veel voorbeelden in het Frans met Nederlandse vertaling helpen bij het begrijpen.
Wat betekent “passé composé met être” en waarom is het belangrijk?
Passé composé = hulpwerkwoord (avoir of être) + voltooid deelwoord (participe passé). Als het hulpwerkwoord être is, volgt meestal dat het voltooid deelwoord zich aanpast aan het onderwerp in geslacht (mannelijk/vrouwelijk) en aantal (enkelvoud/meervoud). Dit verschil is belangrijk omdat een fout (bijv. "elle est allé") een grammaticale fout is in het Frans.
Vergelijk met het Nederlands: bij sommige Nederlandse voltooide tijden gebruik je ook zijn als hulpwerkwoord (bijvoorbeeld: "ik ben gegaan"). Dat lijkt op het Franse gebruik van être voor verplaatsing of verandering.
Wanneer gebruik je être als hulpwerkwoord?
- Voor beweging en veranderingen van toestand (komen, gaan, binnenkomen, vertrekken, geboren worden, sterven, enz.). Een handig ezelsbruggetje is "Dr & Mrs Vandertramp" (lijst hieronder).
- Voor alle wederkerende (pronominale) werkwoorden: werkwoorden met een reflexief voornaamwoord (me, te, se, nous, vous, se) — dus: je me suis lavé(e), elle s'est levée, etc.
Dr & Mrs Vandertramp (veelvoorkomende être-werkwoorden)
- Devenir (worden) — Il est devenu professeur. — Hij is leraar geworden.
- Revenir (terugkomen) — Elle est revenue hier. — Zij is gisteren teruggekomen.
- Monter (omhoog gaan) — Il est monté. — Hij is omhoog gegaan.
- Rentrer (naar binnen terugkeren / thuiskomen) — Nous sommes rentrés tard. — We zijn laat thuisgekomen.
- Sortir (uitgaan / naar buiten gaan) — Ils sont sortis. — Zij zijn weggegaan/uitgegaan.
- Venir (komen) — Je suis venu(e) te voir. — Ik ben gekomen om je te zien.
- Aller (gaan) — Elle est allée en France. — Zij is naar Frankrijk gegaan.
- Naître (geboren worden) — Il est né en 1990. — Hij is in 1990 geboren.
- Descendre (naar beneden gaan) — Elle est descendue. — Zij is naar beneden gegaan.
- Entrer (binnenkomen) — Il est entré dans la salle. — Hij is de zaal binnengekomen.
- Retourner (terugkeren) — Elle est retournée chez elle. — Zij is naar huis teruggekeerd.
- Tomber (vallen) — Il est tombé. — Hij is gevallen.
- Rester (blijven) — Nous sommes restés à la maison. — We zijn thuis gebleven.
- Arriver (aankomen) — Ils sont arrivés en retard. — Zij zijn te laat aangekomen.
- Mourir (sterven) — Mon grand-père est mort. — Mijn grootvader is overleden.
- Partir (vertrekken) — Je suis parti(e). — Ik ben vertrokken.
- Passer (voorbijgaan / doorheen gaan) — Elle est passée par ici. — Zij is hier gepasseerd.
Let op: sommige werkwoorden in deze groep kunnen ook avoir gebruiken als ze een direct object hebben (zie verder).
Hoe vorm je het passé composé met être?
Stap 1: Kies het hulpwerkwoord être (zoals hierboven) en zet dat hulpwerkwoord in de tegenwoordige tijd.
- je suis (ik ben)
- tu es (jij bent)
- il/elle/on est (hij/zij/men is)
- nous sommes (wij zijn)
- vous êtes (jullie/u bent)
- ils/elles sont (zij zijn)
Stap 2: Voeg het participe passé van het hoofdwerkwoord toe.
Voorbeeld met allé (aller):
- Je suis allé(e). — Ik ben gegaan.
- Tu es allé(e). — Jij bent gegaan.
- Il est allé. / Elle est allée. — Hij is gegaan / Zij is gegaan.
- Nous sommes allés / allées. — Wij zijn gegaan.
- Vous êtes allé(e)(s). — Jullie/u bent gegaan.
- Ils sont allés / Elles sont allées. — Zij zijn gegaan.
Korte uitleg over participe passé vormen
- Werkwoorden op -er → participe: -é (parler → parlé)
- Werkwoorden op -ir → participe: -i (finir → fini)
- Werkwoorden op -re → participe: -u (vendre → vendu)
- Onregelmatige participes: venir → venu, naître → né, mourir → mort, partir → parti, etc.
Afstemming (accord) van het voltooid deelwoord bij être
Algemene regel: als het hulpwerkwoord être is, stemt het voltooid deelwoord af op het onderwerp (geslacht en aantal):
- mannelijk enkelvoud: geen toevoeging — Il est parti. (Hij is vertrokken.)
- vrouwelijk enkelvoud: voeg -e toe — Elle est partie. (Zij is vertrokken.)
- mannelijk meervoud: voeg -s toe — Ils sont partis. (Zij zijn vertrokken.)
- vrouwelijk meervoud: voeg -es toe — Elles sont parties. (Zij zijn vertrokken.)
Voorbeelden:
- Il est arrivé à 8h. — Hij is om 8 uur aangekomen.
- Elle est arrivée à 8h. — Zij is om 8 uur aangekomen.
- Nous sommes restés chez nous. — Wij zijn thuisgebleven.
- Elles sont nées en mai. — Zij zijn in mei geboren.
Wederkerende (pronominale) werkwoorden en akkoordregels
Belangrijkste punten
- Alle wederkerende werkwoorden gebruiken être als hulpwerkwoord: je me suis levé(e), tu t'es lavé(e), il s'est couché, nous nous sommes amusés.
- Het participe passé stemt in het algemeen af op het onderwerp omdat het wederkerende voornaamwoord (me, te, se, nous, vous, se) meestal het lijdend voorwerp (direct object) is en vóór het werkwoord staat.
Uitzonderingen / wanneer géén overeenkomst (geen accord)?
1) Als het wederkerende voornaamwoord geen direct object is maar een meewerkend voorwerp (indirect object), dan is er geen overeenkomst.
- Voorbeelden: Ils se sont parlé. — Ze hebben met elkaar gesproken. (parlé blijft onveranderd)
- Nous nous sommes téléphoné hier. — We hebben elkaar gisteren opgebeld. (téléphoné onveranderd)
2) Als er een direct object ná het werkwoord staat (dus het lijdend voorwerp volgt het deelwoord), maak je geen overeenkomst.
- Voorbeeld: Elle s'est lavé les mains. — Zij heeft haar handen gewassen. (lavé, geen extra -e)
- Vergelijk: Elle s'est lavée. — Zij heeft zich gewassen. (lavée wél met -e omdat het direct object 'se' vóór het werkwoord staat)
3) Als er een direct object vóór het werkwoord staat (bijv. een betrekkelijk voornaamwoord of een voorafgaand zelfstandig naamwoord), dan stemt het voltooid deelwoord af met dat voorafgaande direct object.
- Voorbeeld: Les lettres qu'ils se sont écrites étaient longues. — De brieven die zij elkaar hebben geschreven waren lang. (écrites = akkoord met les lettres)
Duidelijke voorbeelden
- Ils se sont rencontrés. — Ze hebben elkaar ontmoet. (rencontrés: akkoord, omdat se = direct object)
- Ils se sont parlé. — Ze hebben met elkaar gesproken. (parlé onveranderd, se is indirect)
- Elle s'est lavée. — Zij heeft zich gewassen. (lavée = akkoord vrouwelijk)
- Elle s'est lavé les mains. — Zij heeft haar handen gewassen. (lavé geen akkoord omdat direct object volgt)
Werkwoorden die zowel être als avoir kunnen gebruiken (transitief vs. intransitief)
Sommige werkwoorden kunnen zowel transitief (met direct object) als intransitief (zonder direct object) gebruikt worden. Als ze intransitief zijn (geen direct object), gebruiken ze vaak être; als ze transitief zijn (direct object aanwezig), gebruiken ze avoir.
Voorbeelden:
- Monter
- Il est monté. — Hij is naar boven gegaan. (intransitief → être)
- Il a monté les valises. — Hij heeft de koffers naar boven gedragen. (transitief → avoir)
- Descendre
- Elle est descendue. — Zij is naar beneden gegaan. (intransitief → être)
- Elle a descendu la valise. — Zij heeft de koffer naar beneden gebracht. (transitief → avoir)
- Sortir
- Nous sommes sortis. — We zijn uitgegaan/naar buiten gegaan. (intransitief)
- Nous avons sorti la poubelle. — We hebben de vuilnisbak buitengezet. (transitief)
- Passer
- Il est passé par la gare. — Hij is langs het station gepasseerd. (intransitief)
- Il a passé une heure à lire. — Hij heeft een uur besteed aan lezen. (transitief)
Tip: als er een direct object volgt, controleer of je avoir moet gebruiken; als er geen direct object is, is être vaak correct.
Plaats van wederkerende voornaamwoorden en negatie in het passé composé
- De wederkerende voornaamwoorden (me, te, se, nous, vous, se) staan vóór het hulpwerkwoord être:
- Je me suis levé(e). — Ik ben opgestaan.
- Tu t'es couché(e). — Jij bent naar bed gegaan.
- Bij negatie komt "ne ... pas" om het hulpwerkwoord heen (hetzelfde patroon als bij andere samengestelde tijden):
- Je ne me suis pas levé(e). — Ik ben niet opgestaan.
- Ils ne se sont pas rencontrés. — Ze hebben elkaar niet ontmoet.
Veelgemaakte fouten (en hoe ze te vermijden)
- Fout: Elle est allé.
Correct: Elle est allée.
Tip: controleer geslacht en aantal van het onderwerp.
- Fout: Ils se sont parlés.
Correct: Ils se sont parlé.
Tip: bepaal eerst of "se" direct of indirect is (bij "se parler" is het indirect → geen akkoord).
- Fout: Il a monté. (bedoelt: hij is naar boven gegaan)
Correct: Il est monté.
Tip: zoek naar direct object: als er geen object is, gebruik vaak être.
- Fout: Elle s'est lavé. (maar bedoeld: zij heeft zich gewassen)
Correct: Elle s'est lavée.
Tip: als het wederkerend voornaamwoord het directe voorwerp is en er geen direct object ná de werkwoordsvorm staat, maak dan akkoord met het onderwerp.
Kort stappenplan bij twijfel
1) Bepaal: gebruikt dit werkwoord être of avoir als hulpwerkwoord? (is het een beweging/verandering of een wederkerend werkwoord?)
2) Als het een van de "être"-werkwoorden is: zet être in de tegenwoordige tijd volgens het onderwerp.
3) Voeg het participe passé toe en maak het akkoord met het onderwerp (vrouwelijk: +e; meervoud: +s), tenzij één van de uitzonderingen (indirect object of direct object volgt) geldt.
4) Controleer op transitive/intransitive problemen: sommige werkwoorden kunnen beide hulpwerkwoorden gebruiken.
Glossarium (korte termen en uitleg)</b]
- Passé composé: samengestelde verleden tijd in het Frans (hulpwerkwoord + participe passé).
- Hulpwerkwoord (auxiliaire): être of avoir, gebruikt om het passé composé te vormen.
- Voltooid deelwoord / participe passé: de vorm van het werkwoord die in het passé composé gebruikt wordt (parlé, fini, vendu, allé, venu, etc.).
- Lijdend voorwerp (direct object / "qui? quoi?"): het woord dat direct de actie van het werkwoord ondergaat.
- Meewerkend voorwerp (indirect object / vaak met à of de): ontvangt het voordeel of nadeel van de actie, maar is niet het directe doel van de actie.
- Wederkerend / pronominaal werkwoord: werkwoord met me/te/se/nous/vous/se (bv. se laver, se réveiller).
- Transitief / Intransitief: transitief neemt een direct object (ik eet une pomme), intransitief niet (je dors).
Slotopmerkingen
Het belangrijkste om te onthouden: beeld je uit of het werkwoord beweging/verandering uitdrukt of wederkerend is → waarschijnlijk être. Gebruik de tegenwoordige vorm van être als hulpwerkwoord en let goed op de overeenkomst van het voltooid deelwoord met het onderwerp — en leer de uitzonderingen voor pronominale werkwoorden (indirect object / direct object na het werkwoord). Vergelijk met Nederlands (zijn/hebben) om het concept snel te begrijpen. Veel Franse zinnen oefenen met voorbeelden uit dit overzicht helpt je snel vertrouwd te raken met de regels.