Tegenwoordige tijd: veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden (être, avoir, aller, faire)

A1

Tegenwoordige tijd: veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden (être, avoir, aller, faire)

In dit artikel leg ik helder en praktisch uit hoe je de vier meest gebruikte onregelmatige Franse werkwoorden vervoegt in de tegenwoordige tijd (le présent): être, avoir, aller en faire. Je leert wat de tegenwoordige tijd betekent, wanneer je welke vorm gebruikt, veel voorbeelden en de belangrijkste valkuilen — met vergelijking naar het Nederlands waar dat helpt.

Wat is de tegenwoordige tijd en wanneer gebruik je die?

Wanneer gebruik je de présent (le présent)?

De tegenwoordige tijd (le présent) gebruik je in het Frans in deze situaties:

- Acties die nú gebeuren: Je mange. — Ik eet.
- Gewoontes of herhaalde handelingen: Tous les matins, je prends le bus. — Elke ochtend neem ik de bus.
- Algemene waarheden of feiten: L'eau gèle à 0°C. — Water bevriest bij 0°C.
- Beschrijvingen of toestanden: Il est fatigué. — Hij is moe.
- Nabije toekomst met aller + infinitief (futur proche): Je vais partir demain. — Ik ga morgen vertrekken.

Let op: in het Frans gebruik je vaak le présent waar het Nederlands ook de tegenwoordige tijd gebruikt, maar soms gebruikt het Frans avoir waar het Nederlands zijn gebruikt (bij leeftijd) of faire voor weer (il fait chaud). Hieronder meer voorbeelden.

Hoe vervoeg je être, avoir, aller en faire in de tegenwoordige tijd?

Deze vier werkwoorden zijn onregelmatig: ze volgen niet de standaarduitgangen van -er, -ir of -re werkwoorden. Je moet hun vormen uit je hoofd leren. Hier zijn de volledige vervoegingen en duidelijke voorbeelden per werkwoord.

Être (zijn)

- je suis — ik ben
- tu es — jij bent
- il/elle/on est — hij/zij/men is
- nous sommes — wij zijn
- vous êtes — jullie/u bent
- ils/elles sont — zij zijn

Voorbeelden:
Je suis étudiant. — Ik ben student.
Tu es prêt ? — Ben je klaar?
Il est à la maison. — Hij is thuis.
Nous sommes en retard. — We zijn te laat.
Vous êtes très gentils. — Jullie/u zijn erg aardig.
Elles sont contentes. — Zij zijn tevreden. (let op: adjectief krijgt -es)

Tips en opmerkingen:
- Gebruik "on" vaak in gesproken Frans als "we"; het vervoegt als derde persoon enkelvoud: On est fatigué. — We zijn moe.
- Met être maak je ook zinnen als "être en train de + infinitief" om aan te geven dat iets bezig is: Je suis en train d'étudier. — Ik ben bezig te studeren.
- Adjectieven passen zich aan in geslacht en getal bij être: Elle est heureuse / Ils sont heureux.

Avoir (hebben; gebruiken voor leeftijd en sommige uitdrukkingen)

- j'ai — ik heb
- tu as — jij hebt
- il/elle/on a — hij/zij/men heeft
- nous avons — wij hebben
- vous avez — jullie/u heeft
- ils/elles ont — zij hebben

Voorbeelden:
J'ai un livre. — Ik heb een boek.
Tu as faim ? — Heb je honger?
Il a trois chiens. — Hij heeft drie honden.
Nous avons besoin de repos. — Wij hebben rust nodig.
Vous avez 20 ans. — U/jullie bent/bent 20 jaar oud. (Let op: in het Frans spreek je over leeftijd met avoir)
Ils ont peur des araignées. — Zij zijn bang voor spinnen. (letterlijk: ze hebben angst)

Veelvoorkomende uitdrukkingen met avoir:
- avoir faim / avoir soif — honger/dorst hebben
- avoir besoin de — nodig hebben
- avoir peur de — bang zijn voor
- avoir raison / avoir tort — gelijk hebben / ongelijk hebben
- il y a — er is / er zijn (letterlijke vorm van "il y avoir")

Opmerking:
- j'ai is een elisie van je + ai (je ai → j'ai). Je hoort dat veel in gesproken en geschreven Frans.
- Avoir is ook het hulpwerkwoord voor veel tijden (zoals le passé composé). Dat is belangrijk voor gevorderde aspecten, maar voor de tegenwoordige tijd hoef je dat nog niet te vervoegen.

Aller (gaan) — ook gebruikt voor de nabije toekomst

- je vais — ik ga
- tu vas — jij gaat
- il/elle/on va — hij/zij/men gaat
- nous allons — wij gaan
- vous allez — jullie/u gaat
- ils/elles vont — zij gaan

Voorbeelden:
Je vais au travail. — Ik ga naar mijn werk.
Tu vas au cinéma ce soir ? — Ga je vanavond naar de bioscoop?
Il va chez le médecin. — Hij gaat naar de dokter.
Nous allons partir demain. — We gaan morgen vertrekken.
Vous allez bien ? — Gaat het goed met u/jullie?
Ils vont à l'école. — Zij gaan naar school.

NB: futur proche (nabije toekomst):
Je vais étudier. — Ik ga studeren. (zoals Nederlands: "Ik ga eten")

Ook veelvoorkomende spreektaal:
Ça va ? — Hoe gaat het? / Gaat het goed?
Ça va bien. — Het gaat goed.

Faire (doen/maken) — zeer productief en idiomatisch

- je fais — ik doe/maak
- tu fais — jij doet
- il/elle/on fait — hij/zij/men doet
- nous faisons — wij doen
- vous faites — jullie/u doet
- ils/elles font — zij doen

Voorbeelden:
Je fais mes devoirs. — Ik maak/maak mijn huiswerk.
Tu fais la vaisselle ? — Doe jij de afwas?
Il fait ses études à Paris. — Hij studeert in Parijs (letterlijk: hij doet zijn studies in Parijs).
Nous faisons du sport le samedi. — We sporten op zaterdag.
Vous faites attention ! — Let op! / Wees voorzichtig!
Ils font la queue. — Zij staan in de rij.

Faire voor het weer:
Il fait chaud aujourd'hui. — Het is warm vandaag.
Il fait nuit. — Het is nacht. (letterlijk: het maakt nacht)

Uitdrukkingen met faire zijn talrijk: faire la cuisine, faire une promenade, faire un choix, faire semblant, enz. Vaak moet je deze combinaties uit het hoofd leren.

Negatie en vraagvormen in de tegenwoordige tijd

Negatie

De standaardnegatie is ne ... pas rond het vervoegde werkwoord:
Je ne suis pas content. — Ik ben niet tevreden.
Je n'ai pas de stylo. — Ik heb geen pen.
Il ne va pas venir. — Hij gaat niet komen.
Nous ne faisons pas la fête. — We geven geen feestje.

Let op elisie: je n' + klinker (n' + ai, est, etc.). In gesproken alledaags Frans wordt "ne" vaak weggelaten: Je suis pas prêt. — Ik ben niet klaar. (informeel)

Vragen

Drie eenvoudige manieren om vragen te maken:
1) Intonatie (gesproken): Tu vas bien ? — Gaat het goed?
2) Est-ce que + gewone volgorde: Est-ce que tu as faim ? — Heb je honger?
3) Inversie (formeler): Es-tu prêt ? — Ben je klaar?

Voorbeelden per werkwoord:
- Être: Est-ce que vous êtes prêts ? — Bent u/jullie klaar?
- Avoir: As-tu un stylo ? / Est-ce que tu as un stylo ? — Heb je een pen?
- Aller: Vas-tu venir ? — Kom je?
- Faire: Fais-tu du sport ? / Est-ce que tu fais du sport ? — Sport je?

Veelgemaakte fouten en hoe ze te vermijden

- Age: zeggen "Ik ben 20" in het Nederlands is "Ik ben 20 jaar" maar in het Frans gebruik je avoir: J'ai 20 ans. Onthoud: leeftijd = avoir.
- Fout: *Je suis 20 ans.
- Correct: J'ai 20 ans.

- Weer: in het Nederlands gebruik je vaak "het is warm" (het is), in het Frans gebruik je faire: Il fait chaud.
- Fout: *Il est chaud pour le temps.
- Correct: Il fait chaud.

- Adjectiefovereenstemming na être: vergeet niet het bijvoeglijk naamwoord aan te passen in geslacht en getal.
- Fout: *Elle est content.
- Correct: Elle est contente.

- Avoir vs être als hulpwerkwoord in samengestelde tijden (voor later leerstof): sommige beweging werkwoorden en wederkerende werkwoorden gebruiken être als hulpwoord in le passé composé (bijv. aller → je suis allé), maar de meeste andere werkwoorden gebruiken avoir. Dit is een veelvoorkomende verwarring voor beginners.

- Onregelmatige stammen vergeten: deze werkwoorden volgen geen vaste patroon; leer de vormen uit het hoofd en herken uitdrukkingen (avoir faim, faire attention, aller + infinitief, être en train de).

Praktische voorbeelden en zinnen om te onthouden

Être:
Je suis professeur. — Ik ben leraar.
Il est tard. — Het is laat.
Nous sommes heureux de vous voir. — We zijn blij u te zien.
On est arrivés. — We zijn aangekomen.

Avoir:
J'ai besoin d'aide. — Ik heb hulp nodig.
Tu as une question ? — Heb je een vraag?
Ils ont deux enfants. — Zij hebben twee kinderen.
Il y a trois livres sur la table. — Er liggen drie boeken op tafel.

Aller:
Je vais souvent au marché. — Ik ga vaak naar de markt.
Elle va prendre le train. — Zij gaat de trein nemen.
Nous allons bientôt déménager. — We gaan binnenkort verhuizen.

Faire:
Je fais la cuisine ce soir. — Ik kook vanavond.
Faites attention en traversant la rue. — Let op bij het oversteken van de straat.
Ils font du vélo chaque dimanche. — Zij fietsen elke zondag.

Negatie- en vraagvoorbeelden:
Je ne suis pas d'accord. — Ik ben het niet eens.
Tu n'as pas compris ? — Heb je het niet begrepen?
Où allez-vous ? — Waar gaat u naartoe?
Qu'est-ce que tu fais ? — Wat doe je?

Korte samenvatting en leerstrategie

- Leer de zes persoonsvormen van elk werkwoord: je, tu, il/elle/on, nous, vous, ils/elles.
- Memoriseer nuttige vaste uitdrukkingen: avoir faim, aller + infinitief (futur proche), faire attention, être en train de.
- Let op verschillen met het Nederlands: leeftijd (avoir), weer (faire), emoties en lichamelijke staten (avoir).
- Oefen met echte zinnen (positief, negatief, vraag) en let op adjectiefafstemming bij être.

Glossarium (kort)</b]

présent (le présent) — tegenwoordige tijd (nu / gewoonte / algemeen)
onregelmatig — werkwoord dat niet de normale uitgangspatronen volgt
elisie — weglating van een klinker met een apostrof (je + ai → j'ai)
auxiliaire — hulpwerkwoord (avoir of être gebruikt om samengestelde tijden te vormen)
accord — grammaticale overeenkomst (bijv. bijvoeglijk naamwoord dat overeenkomt met onderwerp)

Veel succes met oefenen! Als je wilt, kan ik nu per werkwoord nog meer voorbeeldzinnen geven of de belangrijkste uitdrukkingen als een kort geheugenlijstje voor je uitschrijven.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York