Voorwaardelijke verleden tijd (conditionnel pass)

B1

Wat is het Conditionnel Passé?

Het conditionnel passé is de voltooide vorm van de voorwaardelijke wijs in het Frans. Het drukt uit wat "zou hebben" of "zou zijn" (in het Engels: "would have") betekent: handelingen of toestanden in het verleden die onder bepaalde omstandigheden zouden zijn gebeurd — maar niet echt gebeurden — of veronderstellingen/geruchten over het verleden.

Kort en praktisch: conditionnel passé = auxiliaire (avoir of être) in de conditionnel présent + participe passé van het hoofdwerkwoord.

Wanneer gebruik je het?

Hypothese die niet gebeurde (contrafactuele voorwaarde in het verleden)
Si + plus-que-parfait → résultat in conditionnel passé.

Voorbeeld:
- Français: Si javais su, je ne serais pas venu.
(Nederlands: Als ik had geweten, was ik niet gekomen.)
- Français: Si nous avions pris le train, nous serions arrivs plus tt.
(Nederlands: Als we de trein hadden genomen, zouden we vroeger aangekomen zijn.)

Handeling die had kunnen plaatsvinden / mogelijk, maar niet gebeurd
  • Français: J'aurais achet la maison si j'avais eu l'argent.
(Nederlands: Ik zou het huis hebben gekocht als ik het geld had gehad.)
  • Français: Il aurait pu venir, mais il tait malade.
(Nederlands: Hij had kunnen komen, maar hij was ziek.)
Wens of spijt in het verleden (verlangens die niet gerealiseerd werden)
  • Français: J'aurais aim te te voir.
(Nederlands: Ik had je graag gezien / Ik zou je graag gezien hebben.)
  • Français: Tu aurais du me le dire.
(Nederlands: Je had het me moeten zeggen.)
Vermoeden, gerucht of rapportage over het verleden
Het conditionnel passé kan ook een vermoeden of een gerucht weergeven: iets wat men zegt dat gebeurd zou zijn.
  • Français: Il aurait quitt l'entreprise.
(Nederlands: Men zegt dat hij het bedrijf heeft verlaten / Hij zou het bedrijf hebben verlaten.)
  • Français: Elle aurait dj vu ce film.
(Nederlands: Naar verluidt heeft ze die film al gezien.)
Beleefdheid of berisping in het verleden
  • Français: Vous auriez pu m'appeler.
(Nederlands: U had me kunnen bellen / U had me kunnen waarschuwen.)
  • Français: Tu aurais pu me prvenir avant.
(Nederlands: Je had me eerder kunnen vertellen.)
Vergelijking met andere tijden
  • Si + imparfait → conditionnel présent (onmogelijke situatie in het heden):
Français: Si j'tais riche, j'achterais une maison. (Nederlands: Als ik rijk was, zou ik een huis kopen.)
  • Si + plus-que-parfait → conditionnel passé (onmogelijk in het verleden):
Français: Si j'avais su, je serais venu. (Nederlands: Als ik had geweten, zou ik gekomen zijn.)

Hoe wordt het gevormd?

Algemene vorm
Conditionnel passé = auxiliaire (avoir of être) in conditionnel présent + participe passé van het hoofdwerkwoord.

Auxiliaires (conditionnel présent)
- Avoir: j'aurais, tu aurais, il/elle/on aurait, nous aurions, vous auriez, ils/elles auraient.
- Être: je serais, tu serais, il/elle/on serait, nous serions, vous seriez, ils/elles seraient.

Voorbeeld (regelmatige werkwoorden)
- Parler (avoir): j'aurais parlé, tu aurais parlé, il aurait parlé, nous aurions parlé, vous auriez parlé, ils auraient parlé.
- Finir (avoir): j'aurais fini, tu aurais fini, il aurait fini...
- Vendre (avoir): j'aurais vendu...

Werkwoorden die être gebruiken als hulpwerkwoord
Bewegingen, sommige statale werkwoorden en alle wederkerende (pronominales) gebruiken être als hulpwerkwoord in samengestelde tijden:
- Partir: je serais parti(e), tu serais parti(e), elle serait partie, nous serions parti(e)s, etc.
- Se réveiller: je me serais réveillé(e)

Onregelmatige participes (enkele voorbeelden)
- Faire → fait : J'aurais fait.
- Prendre → pris : Il aurait pris.
- Voir → vu : Nous aurions vu.
- Avoir → eu : Tu aurais eu.
- Être → été : Elle aurait été.

Voorbeelden: vervoegingen en veel voorkomende werkwoorden

Parler (avoir) — volledig voorbeeld
  • Je: J'aurais parl. (Nederlands: Ik zou gesproken hebben.)
  • Tu: Tu aurais parl. (Je zou gesproken hebben.)
  • Il/elle/on: Il aurait parl. (Hij zou gesproken hebben.)
  • Nous: Nous aurions parl. (Wij zouden gesproken hebben.)
  • Vous: Vous auriez parl. (Jullie/u zouden gesproken hebben.)
  • Ils/elles: Ils auraient parl. (Zij zouden gesproken hebben.)
Partir (être) — volledig voorbeeld (let op overeenstemming)
  • Je: Je serais parti(e). (Ik zou vertrokken zijn.)
  • Tu: Tu serais parti(e). (Jij zou vertrokken zijn.)
  • Il: Il serait parti. (Hij zou vertrokken zijn.)
  • Elle: Elle serait partie. (Zij zou vertrokken zijn.)
  • Nous: Nous serions parti(e)s. (Wij zouden vertrokken zijn.)
  • Ils: Ils seraient partis. (Zij zouden vertrokken zijn.)

Negatie, vragen en voornaamwoorden

Negatie
Negatie omcirkelt het hulpwerkwoord (zoals bij andere samengestelde tijden):
  • Français: Je n'aurais pas su.
(Nederlands: Ik zou het niet hebben geweten.)
  • Français: Nous ne serions pas venus.
(Nederlands: Wij zouden niet gekomen zijn.)
Vragen en inversie
Bij inversie draai je het hulpwerkwoord om:
  • Aurais-tu fini ? (Nederlands: Zou je klaar zijn geweest?)
  • Ne serait-elle pas arrivée ? (Nederlands: Zou ze niet aangekomen zijn?)
Volgorde van voornaamwoorden
Voornaamwoorden (me, te, le, la, les, lui, leur, y, en...) staan vóór het hulpwerkwoord:
  • Je l'aurais fait. (Nederlands: Ik zou het gedaan hebben.)
  • Nous nous serions levs tard. (Nederlands: Wij zouden laat zijn opgestaan.)
  • J'en aurais pris deux. (Nederlands: Ik zou er twee hebben genomen.)

Let op met "en": geen overeenstemming van het participe passé
- Des pommes ? J'en aurais mang. (Niet *mangs.)
(Nederlands: Appels? Ik zou er twee hebben gegeten.)

Overeenkomst (accord) van het participe passé

1) Wanneer het hulpwerkwoord être is:
Het participe passé stemt in geslacht en aantal overeen met het onderwerp.
- Elle serait partie. (vrl. enk.)
- Ils seraient partis. (mnl. mv.)

2) Wanneer het hulpwerkwoord avoir is:
Het participe passé komt overeen met het voorafgaande lijdend voorwerp (COD) als dat COD vóór het hulpwerkwoord staat.
- Les lettres ? Je les aurais envoyes. (Nederlands: De brieven? Ik zou ze verzonden hebben.)
- J'aurais envoy les lettres. (Geen overeenstemming; het COD staat ná het werkwoord.)

3) Uitzonderingen en pronominale werkwoorden:
- Bij pronominale (wederkerende) werkwoorden is de regel ingewikkelder: meestal maakt het participe passé overeenstemming met het onderwerp: Elle se serait lave9e. Maar als het wederkerend voornaamwoord een indirect object is of als er een direct object ná het werkwoord staat, is er vaak geen overeenstemming:
- Elle se serait lave9e. (Zij zou zich hebben gewassen.)
- Elle se serait lav les mains. (Zij zou haar handen hebben gewassen.) -> geen overeenstemming met "les mains" omdat het COD na het werkwoord staat.

4) Gebruik van "en"
Als het COD vervangen wordt door "en", is er géén overeenstemming:
- J'en aurais mang. (Niet *mangs.)

Si-zinnen en hypothetische situaties

Belangrijk patroon voor verleden onmogelijkheid:
- Si + plus-que-parfait → conditionnel passé.
Bijvoorbeeld: Si elle avait accepté, nous serions partis plus tt.
(Nederlands: Als ze had geaccepteerd, waren we vroeger vertrokken.)

Vergelijk met andere patronen
- Si + imparfait → conditionnel présent (heden): Si j'avais de l'argent, j'achterais une voiture.
- Si + présent → futur: Si tu viens, je serai content.

Veelgemaakte fouten en valkuilen

1) "Si j'aurais..." (fout) in plaats van "Si j'avais..."
Fout: Si j'aurais su, je ne serais pas venu. Correct: Si j'avais su, je ne serais pas venu. (Uitleg: na "si" gebruik je niet de conditionnel; in dit geval hoort plus-que-parfait.)
2) Verkeerd hulpwerkwoord gebruiken
Fout: Je serais parlé hier. (parler gebruikt avoir) Correct: J'aurais parl hier.
3) Verkeerde overeenstemming met avoir
Fout: Les lettres? Je les aurais envoy. (zonder -es) Correct: Les lettres? Je les aurais envoyes. (Uitleg: COD "les" staat vóór het hulpwerkwoord -> participium krijgt -es.)
4) Verwarring met futur antrieur
Futur antrieur: j'aurai fini (Toekomende voltooiing) Conditionnel passé: j'aurais fini (Zou hebben gedaan / onwerkelijk verleden) Voorbeeld en verschil:
  • Futur antrieur: Quand tu reviendras, j'aurai dj fini. (Nederlands: Wanneer je terugkomt, zal ik al klaar zijn.)
  • Conditionnel passé: J'aurais fini si j'avais eu le temps. (Nederlands: Ik zou klaar zijn geweest als ik tijd had gehad.)

Kort glossarium en samenvatting

Glossarium
- Conditionnel passé: voltooide voorwaardelijke wijs; drukt "zou hebben / zou zijn" uit in het verleden.
- Participe pass: voltooid deelwoord (parlé, fini, vendu, fait, pris, vu...).
- Auxiliaire: hulpwerkwoord (avoir of être) gebruikt om samengestelde tijden te bouwen.
- Accord: overeenstemming van het voltooid deelwoord in geslacht en aantal.
- Plus-que-parfait: de verleden tijd die je na "si" gebruikt voor onwerkelijke situaties in het verleden.

Samenvattend: snelle regels
- Vorm: auxiliaire (avoir/être) in conditionnel présent + participe passé.
- Gebruik: ongerealiseerde gebeurtenissen in het verleden, spijt/wens, vermoeden/gerucht, beleefde berisping.
- Belangrijke structuur: Si + plus-que-parfait → conditionnel passé.
- Let goed op: keuze van avoir/être, en op de overeenstemming van het participe passé (vooral bij avoir + voorafgaand COD en bij pronominale werkwoorden).

Enkele extra voorbeeldzinnen (samengevat)
- J'aurais aim te t'aider, mais je n'ai pas pu. (Ik zou je graag geholpen hebben, maar ik kon niet.)
- Il aurait dj parti quand tu es arriv. (Hij zou al vertrokken zijn toen jij arriveerde.)
- Vous auriez d vous excuser. (U had zich moeten verontschuldigen.)
- On aurait dit qu'il tait fatigu. (Men zou zeggen dat hij moe was.)

Als je wilt, kan ik ook een korte lijst met veelvoorkomende werkwoorden in de conditionnel pass maken (met zowel "avoir"- als "être"-voorbeelden) of extra voorbeelden gericht op pronomen en akkoordregels.

Subscribe for evidence based language learning insights.

Lingua Fortis
Copyright © 2025 Lingua Fortis | Made in New York